ECLI:NL:RVS:2010:BL4540
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring Belgische gemeenschapsonderdaan ondanks gezinsleven
De vreemdeling, houder van de Belgische nationaliteit, is ongewenst verklaard op grond van een onherroepelijke veroordeling tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden wegens medeplegen van een drugsdelict. De minister en staatssecretaris handhaafden deze beslissing, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep betoogde de vreemdeling dat artikel 5 van Pro de Benelux Overeenkomst strengere criteria stelt dan het Vreemdelingenbesluit 2000 en dat zijn gezinsleven in Nederland, met een partner en kinderen, bescherming verdient onder artikel 8 EVRM Pro. De Raad van State oordeelde dat de toepassing van artikel 27 van Pro de EU-Richtlijn inzake vrij verkeer en verblijf prevaleert en dat artikel 5 van Pro de Overeenkomst geen zelfstandige, beperkende betekenis heeft.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Gezien de ernst van het misdrijf en het ontbreken van objectieve belemmeringen voor het gezinsleven in het land van herkomst, weegt het algemeen belang zwaarder dan het individuele belang van de vreemdeling.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waarbij het recht op gezinsleven niet werd geschonden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De ongewenstverklaring van de Belgische vreemdeling wordt bevestigd ondanks zijn gezinsleven in Nederland.