ECLI:NL:RVS:2010:BL5980
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat verbalisanten geen onrechtmatige doorzoeking verrichtten bij ophalen goederen vreemdeling
De zaak betreft hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling gegrond verklaarde en hem schadevergoeding toekende.
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld en had verzocht zijn kleding en goederen uit zijn kamer in het asielzoekerscentrum naar het politiebureau te laten overbrengen. Verbalisanten betraden zijn kamer om aan dit verzoek te voldoen en troffen daarbij twee Pakistaanse paspoorten aan, waarvan één op naam van de vreemdeling en één op naam van zijn vader.
De rechtbank had geoordeeld dat de verbalisanten zonder uitdrukkelijke toestemming gericht hadden gezocht naar documenten, wat in strijd zou zijn met de Algemene wet op het binnentreden (Awbi). De staatssecretaris stelde dat er geen sprake was van een doorzoeking, maar van toevallige vondst tijdens het uitvoeren van het verzoek.
De Raad van State oordeelde dat uit de processen-verbaal niet blijkt dat gericht en stelselmatig gezocht is naar documenten en dat de verbalisanten niet verder zijn gegaan dan noodzakelijk was om het verzoek van de vreemdeling te honoreren. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.
De Raad stelde tevens de proceskosten vast en bepaalde dat de rechtbank over de vergoeding daarvan zal beslissen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd wegens ontbreken van onrechtmatige doorzoeking.