Uitspraak
200505679/1), is van discriminatie als bedoeld in artikel 26 van Pro het IVBPR geen sprake als er voor het maken van onderscheid in het licht van de doelen van de van toepassing zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan. Die situatie doet zich hier voor. Ingevolge artikel 37b, eerste lid, van de Wrb, kan de raad ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand voor bijzondere doeleinden en projecten subsidie verstrekken aan een rechtsbijstandverlener of een samenwerkingsverband van rechtsbijstandsverleners. De raad heeft daarbij een bepaalde mate van beleidsvrijheid. In de Regeling heeft de raad regels vastgelegd voor de verstrekking van subsidie aan een advocatenkantoor ter stimulering van het aantrekken van een advocaat-stagiair(e) die bereid is een bepaald aantal zaken op basis van toevoegingen te behandelen. Dat gelet op de definitiebepaling in de Regeling een eenmanskantoor van een advocaat-stagiair als [appellant] niet voor subsidie in aanmerking komt, levert geen ongerechtvaardigd onderscheid op als bedoeld in artikel 26 van Pro het IVBPR en evenmin strijd met artikel 1 van Pro de Grondwet. Het beroep op de hiervoor vermelde uitspraak van de CRvB kan [appellant] niet baten, omdat het in die zaak ging om een andere situatie. In dat geval was onbetwist dat de appellante behoort tot de doelgroep waarvoor de betwiste regelgeving is bedoeld. Nu [appellant] niet voldoet aan de definitie van artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling, behoort hij niet tot de doelgroep en heeft hij reeds daarom geen aanspraak op de gevraagde subsidie. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het besluit van 28 november 2008 in stand kan blijven.