ECLI:NL:CRVB:2006:AY0161
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Langdurigheidstoeslag en ongerechtvaardigd onderscheid bij geringe arbeid
Appellante ontvangt sinds 1996 een bijstandsuitkering en vroeg in 2004 een langdurigheidstoeslag aan. Het College wees dit af omdat zij in 2001 geringe inkomsten uit oppaswerk had ontvangen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Raad stelt vast dat de ingangsdatum van de toeslag niet de datum van aanvraag is, maar de datum waarop een periode van 60 maanden is bereikt.
De Raad bevestigt dat de geringe inkomsten uit oppaswerk als inkomsten uit arbeid gelden, maar oordeelt dat het onderscheid tussen bijstandsgerechtigden zonder enige arbeid en zij met zeer geringe arbeid en inkomen ongerechtvaardigd is. Dit is in strijd met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), dat discriminatie verbiedt.
De Raad erkent de beleidsvrijheid van de wetgever, maar benadrukt dat de huidige regeling onvoldoende ruimte biedt om bijzondere omstandigheden zoals die van appellante mee te wegen. Gezien haar medische beperkingen en het ontbreken van duurzaam arbeidsmarktperspectief dient artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de WWB buiten toepassing te blijven in haar geval.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en beveelt het College een nieuw besluit te nemen waarin ook wordt beoordeeld of aan de overige voorwaarden voor de toeslag is voldaan. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de langdurigheidstoeslag wordt vernietigd en het College dient een nieuw besluit te nemen.