ECLI:NL:RVS:2010:BL8125
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- P.A. Offers
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen verblijfsvergunning wegens onvoldoende risico op ernstige schade in provincie Diyala, Irak
De staatssecretaris van Justitie trok op 10 april 2009 de verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling in. De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde op 28 oktober 2009 dat dit besluit onvoldoende was gemotiveerd en vernietigde het, waarna beide partijen hoger beroep instelden bij de Raad van State.
De vreemdeling stelde dat terugkeer naar de provincie Diyala in Irak een reëel risico op ernstige schade inhoudt, verwijzend naar rapporten van de UNHCR, Amnesty International en andere bronnen. De staatssecretaris betoogde dat de veiligheidssituatie weliswaar zorgelijk is, maar niet uitzonderlijk genoeg om bescherming op grond van artikel 15 van Pro de EU-richtlijn te rechtvaardigen.
De Raad van State concludeerde dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd en dat de algemene veiligheidssituatie in Diyala sinds het arrest van het EHRM van januari 2009 niet zodanig was verslechterd dat een ander oordeel gerechtvaardigd was. Het hoger beroep van de vreemdeling werd daarom ongegrond verklaard en dat van de staatssecretaris gegrond, waarna het vonnis van de rechtbank werd vernietigd.
Daarnaast werd het beroep van de vreemdeling op categoriale bescherming afgewezen omdat de staatssecretaris zich op redelijke gronden kon beroepen op het beëindigen van dit beleid. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak bevestigt dat de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel krijgt op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b en d van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege het ontbreken van een uitzonderlijke situatie in Diyala die bescherming rechtvaardigt.
Uitkomst: De verblijfsvergunning van de vreemdeling wordt ingetrokken wegens onvoldoende bewijs van een uitzonderlijke situatie in de provincie Diyala die bescherming rechtvaardigt.