ECLI:NL:RVS:2010:BL9289
Raad van State
- Hoger beroep
- D. Roemers
- J. van de Kolk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen handhaving ongewenstverklaring vreemdeling
De vreemdeling verzocht de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 20 maart 2007, waarbij hij ongewenst werd verklaard, en tegen de handhaving van deze ongewenstverklaring bij besluit van 28 december 2007. Tevens verzocht hij om opheffing of schorsing van de wekelijkse meldplicht die hem was opgelegd.
De voorzieningenrechter had eerder het besluit tot handhaving van de ongewenstverklaring vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State, die de behandeling schorst vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de vreemdeling geen procesbelang had bij schorsing van de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring, omdat volgens artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben. Ook de beoordeling van de rechtmatigheid van de opgelegde meldplicht valt buiten de reikwijdte van deze procedure.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzitter D. Roemers en ambtenaar van Staat J. van de Kolk op 24 maart 2010.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de handhaving van de ongewenstverklaring en de meldplicht wordt afgewezen.