ECLI:NL:RVS:2010:BL9297
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verblijfsvergunning wegens subsidiaire jeugddetentie als contra-indicatie
In deze zaak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank die zijn beroep tegen het besluit van de staatssecretaris ongegrond verklaarde. De staatssecretaris had geweigerd een aanbod te doen op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet, omdat de vreemdeling een taakstraf met subsidiaire jeugddetentie had opgelegd gekregen wegens een geweldsmisdrijf.
De Raad van State overwoog dat het beleid inzake ongewenstverklaring, zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000, als uitgangspunt geldt voor het openbare orde criterium in de Regeling. Dit beleid stelt dat een taakstraf met subsidiaire vervangende hechtenis van ten minste één maand gelijkgesteld wordt met een gevangenisstraf of jeugddetentie van ten minste één maand. De subsidiaire jeugddetentie van de vreemdeling valt onder deze contra-indicatie.
De grief van de vreemdeling dat deze subsidiaire jeugddetentie niet als contra-indicatie in de Regeling is opgenomen, faalt. De Raad bevestigt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat deze jeugddetentie als contra-indicatie geldt. Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met verbetering van de gronden.
Uitkomst: De subsidiaire jeugddetentie van ten minste één maand geldt als contra-indicatie en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.