ECLI:NL:RVS:2010:BM2293
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning alleenstaande minderjarige vreemdeling ondanks verblijf vader in Nederland
De vreemdeling, geboren in 1989, vroeg in 2002 een verblijfsvergunning aan als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Haar vader verbleef toen reeds in Nederland. De vreemdeling stelde dat haar vader niet het wettelijk gezag had en dat zij daarom aanspraak maakte op een gunstiger beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Tevens stelde zij dat het minder gunstige beleid uit 2005 onterecht werd toegepast en deed een beroep op artikel 8 EVRM Pro.
De minister weigerde ambtshalve de verblijfsvergunning en verklaarde het bezwaar ongegrond. De voorzieningenrechter oordeelde anders en vernietigde het besluit. De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het beleid terecht is toegepast omdat de vader als meerderjarige in Nederland verblijft en zorgplicht heeft, waardoor de vreemdeling niet als alleenstaand wordt beschouwd. De enkele stelling van het ontbreken van wettelijk gezag is onvoldoende onderbouwd. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt omdat geen verzoek om gezinshereniging aan de orde is.
Daarom verklaart de Raad van State het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaart het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 4 april 2006 ongegrond. De staatssecretaris wordt opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen conform de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning gehandhaafd.