Uitspraak
200703636/1dat, samengevat weergegeven, de rechtbank niet heeft onderkend dat het leerstuk van de strafrechtelijke immuniteit in dit geval analoog van toepassing is en dat de Staat geen boete kan worden opgelegd. Daartoe voert hij aan dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid een bestuurlijke boete aan de Staat op te leggen. Hij wijst er in dit verband op dat uit de parlementaire geschiedenis van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) volgt dat de wetgever ervan uitgaat dat slechts een bestuurlijke boete aan de overheid kan worden opgelegd voor handelingen die niet onder de strafrechtelijke immuniteit vallen.
200600200/1), heeft de door de HR ontwikkelde rechtspraak inzake strafrechtelijke immuniteit betrekking op het opleggen van strafrechtelijke sancties. Op strafrechtelijke immuniteit kan gelet op het arrest van de HR van 6 januari 1998 (NJ 1998, 369) een beroep worden gedaan indien het gaat om gedragingen die naar hun aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbare lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat het uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbare lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. In deze omschrijving is de verantwoordelijkheid van de organen van openbare lichamen voor de uitvoering van een aan hen bij of krachtens de wet opgedragen bestuurstaak centraal gesteld, in het kader waarvan besloten is tot gedragingen die strijden met geldende en op die gedragingen toepasselijke rechtsnormen. Strafrechtelijke immuniteit brengt met zich dat het openbaar lichaam niet kan worden vervolgd voor een zodanige gedraging. Aldus treedt de rechter niet in een beoordeling van de overtreding in het licht van de te verrichten bestuurstaak. De verantwoordelijkheid wordt ten volle aan het betrokken orgaan overgelaten, dat daarop wel kan worden aangesproken in het politieke en democratische verantwoordingsproces.
200805807/1/V6), is hetgeen al dan niet is verboden in de artikelen 1 en 2 van de Wav voldoende afgebakend. Van strijd met het zogeheten lex certa-beginsel is dan ook geen sprake.
200607461/1, 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1, 3 juni 2009 in zaak nr.
200803230/1/V6, 17 juni 2009 in zaak nr.
200806748/1/V6, 16 september 2009 in zaak nr.
200900632/1/V6) vloeit het volgende voort.
200509111/1), is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever in de zin van de Wav om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van die wet worden nageleefd. Ter zitting heeft de Staat toegelicht dat in voormeld bestek geen expliciete bepalingen ten aanzien van de Wav zijn opgenomen, dat het Ministerie van V&W niet steekproefsgewijs op de naleving van de Wav heeft gecontroleerd en dat laatstgenoemde geen lijst met namen van de werknemers van het project 'Conserveren Galecopperbruggen' heeft opgesteld. Onder deze omstandigheden bestaat reeds grond voor het oordeel dat de Staat niet de benodigde zorgvuldigheid als hiervoor is bedoeld heeft betracht. Dat de leesbaarheid van de kopie van het paspoort van de vreemdeling een vergelijking tussen de foto daarop en de vreemdeling onmogelijk maakte, dient voor rekening en risico van de Staat te komen. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat de overtreding aan de Staat is te verwijten en dat hetgeen de Staat in dit verband heeft aangevoerd de minister niet noopte tot matiging van de opgelegde boete.
200606955/1) kunnen ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, verschillende werkgevers dezelfde vreemdeling arbeid laten verrichten en kan aan elk van hen, ingevolge artikel 2, in samenhang met de artikelen 18 en 19a, eerste lid, van de Wav, een boete worden opgelegd, indien geen van hen over een tewerkstellingsvergunning beschikt. Geen grond bestaat voor het oordeel dat indien slechts die andere partijen ten aanzien van de onderhavige overtreding worden beboet, eenzelfde mate van naleving van de doelstellingen van de Wav door de minister wordt bereikt. Evenmin kan uit de tijd die is verstreken sinds de controle worden afgeleid dat de minister beperkt belang heeft bij boeteoplegging. Dat het controleren op de naleving van de Wav het de Staat onmogelijk maakt zijn projecten aan te besteden, heeft hij niet gestaafd en noopte de minister derhalve niet tot matiging van de opgelegde boete.
200707109/1, het EVRM niet van toepassing is op een geschil tussen overheden.
200704652/1, geldt de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van Pro het EVRM mede ten grondslag ligt, evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en noopt dit beginsel er toe dat een geschil binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt. Aangezien dit vereiste ook in artikel 6 van Pro het EVRM is neergelegd, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006/134) over de uitleg van deze verdragsbepaling. Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.