ECLI:NL:RVS:2010:BM5550
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling redelijkheid voortzetting vrijheidsontneming minderjarige kinderen in uitzetcentrum
De zaak betreft hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage over de voortzetting van een vrijheidsontnemende maatregel jegens een vreemdeling en haar minderjarige kinderen in het uitzetcentrum Rotterdam.
De rechtbank had geoordeeld dat voortzetting van de maatregel in het uitzetcentrum niet redelijk was, mede vanwege de belangen van de kinderen. De minister stelde dat het beleid met een maximale duur van vrijheidsontneming voor minderjarige kinderen deze belangen reeds voldoende verdisconteert en dat de omstandigheden in het uitzetcentrum passend zijn.
De Raad van State oordeelt dat de minister terecht heeft meegewogen dat de maximale duur van vier weken in het beleid het belang van de kinderen beschermt en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die dit beleid te buiten gaan. Ook is niet gebleken dat de opvang in het uitzetcentrum ontoereikend is voor de kinderen gedurende de opgelegde periode.
Daarom vernietigt de Raad van State het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond en dat van de minister gegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd; het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.