ECLI:NL:RVS:2010:BM6111
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onrechtmatigheid inlichtingenplicht bij vreemdelingenbewaring
De vreemdeling werd op 8 februari 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en hief de maatregel op. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank in haar verzoek om inlichtingen niet had gewezen op de verplichting van de minister om deze te verstrekken volgens artikel 8:28 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch op de gevolgen van het niet verstrekken zoals bepaald in artikel 8:31 Awb Pro. Hierdoor mocht de rechtbank geen negatieve gevolgtrekking verbinden aan het niet verstrekken van inlichtingen.
Verder werden verschillende beroepsgronden van de vreemdeling beoordeeld en verworpen, waaronder de stelling dat de staandehouding niet op grond van de Vreemdelingenwet 2000 had plaatsgevonden, dat hij zich nog in de vrije termijn bevond, en dat geen rekening was gehouden met een voorgenomen asielaanvraag.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.