ECLI:NL:RVS:2010:BM6111

Raad van State

Datum uitspraak
25 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201002171/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • B. van Wagtendonk
  • R. van der Spoel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:28 AwbArt. 8:31 AwbArt. 50 Vreemdelingenwet 2000Art. 285 SrArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
14 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling onrechtmatigheid inlichtingenplicht bij vreemdelingenbewaring

De vreemdeling werd op 8 februari 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en hief de maatregel op. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank in haar verzoek om inlichtingen niet had gewezen op de verplichting van de minister om deze te verstrekken volgens artikel 8:28 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch op de gevolgen van het niet verstrekken zoals bepaald in artikel 8:31 Awb Pro. Hierdoor mocht de rechtbank geen negatieve gevolgtrekking verbinden aan het niet verstrekken van inlichtingen.

Verder werden verschillende beroepsgronden van de vreemdeling beoordeeld en verworpen, waaronder de stelling dat de staandehouding niet op grond van de Vreemdelingenwet 2000 had plaatsgevonden, dat hij zich nog in de vrije termijn bevond, en dat geen rekening was gehouden met een voorgenomen asielaanvraag.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Uitspraak

201002171/1/V3
Datum uitspraak: 25 mei 2010
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Justitie (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, (hierna: de rechtbank) van 24 februari 2010 in zaak nr. 10/5122 in het geding tussen:
[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de maatregel opgeheven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 maart 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De minister klaagt in zijn grieven onder meer dat de rechtbank heeft miskend dat hij de door haar gevraagde inlichtingen niet heeft hoeven verstrekken, aangezien de rechtbank in strijd met artikel 8:28 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft nagelaten in haar verzoek te vermelden dat hij daartoe verplicht is en de rechtbank evenmin heeft gewezen op het feit dat zij in het geval van het niet voldoen aan het verzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:31 van Pro de Awb de gevolgtrekkingen mag maken die haar geraden voorkomen.
2.1.1. Ingevolge artikel 8:28 van Pro de Awb zijn partijen aan wie door de rechtbank is verzocht schriftelijk inlichtingen te geven, verplicht de verlangde inlichtingen te geven. Partijen worden hierop gewezen, alsmede op artikel 8:31.
Ingevolge artikel 8:31 kan Pro de rechtbank, indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.
2.1.2. De minister is op grond van artikel 8:28 van Pro de Awb verplicht aan de rechtbank de schriftelijke informatie, waarom zij verzoekt, te verschaffen. Het is daarbij niet aan de minister om de opportuniteit van het verzoek te beoordelen.
De rechtbank heeft in haar verzoek om inlichtingen niet gewezen op de in artikel 8:28 van Pro de Awb neergelegde verplichting en evenmin op de gevolgen die zij ingevolge artikel 8:31 van Pro de Awb aan het niet verschaffen van de verlangde inlichtingen kan verbinden. Nu de rechtbank dit heeft nagelaten, was het haar niet toegestaan om aan het feit dat de minister de verlangde inlichtingen niet heeft verschaft, op grond van artikel 8:31 van Pro de Awb de gevolgtrekking te verbinden dat de staandehouding van de vreemdeling op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) heeft plaatsgevonden.
De grief slaagt in zoverre en behoeft derhalve voor het overige geen bespreking meer.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 8 februari 2010 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden.
2.3. De vreemdeling heeft betoogd dat het proces-verbaal van aanhouding van 7 februari 2010 te summier is om daaruit te kunnen opmaken dat hij op grond van artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is staande gehouden.
Bovenaan het proces-verbaal van aanhouding staat bij het kopje onderzoek: bedreiging portiers. Het proces-verbaal is summier, maar door deze vermelding is de reden waarom de vreemdeling is staandegehouden duidelijk en bestaat geen grond voor de veronderstelling van de vreemdeling dat zijn staandehouding in het kader van de Vw 2000 heeft plaatsgevonden.
De beroepsgrond faalt.
2.4. De vreemdeling stelt verder dat hij zich slechts één dag en dus in de vrije termijn in Nederland bevond en nog niet de kans had gehad zich bij de korpschef te melden.
De vreemdeling heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt dat hij zich op het moment van de aanhouding nog in de zogeheten vrije termijn bevond en zich nog niet bij de korpschef had kunnen melden. Hieruit volgt dat de minister de grond: "heeft zich niet aangemeld bij de korpschef" aan de bewaring ten grondslag heeft kunnen leggen.
De beroepsgrond faalt.
2.5. Dat een deel van de bewaringsgronden volgens de vreemdeling inherent is aan de situatie waarin een vreemdeling verkeert als hij het land binnenkomt om asiel te vragen, betekent niet dat deze niet aan de opgelegde maatregel ten grondslag konden worden gelegd.
De beroepsgrond faalt.
2.6. Verder stelt de vreemdeling dat, gelet op de situatie in Noord Irak, geen zicht op uitzetting bestaat. Ook deze stelling heeft hij niet nader onderbouwd. Niet gebleken is dat uitzetting van de vreemdeling naar Irak niet mogelijk is.
De beroepsgrond faalt.
2.7. Ten slotte stelt de vreemdeling dat de minister bij de belangenafweging ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij voornemens is een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in te dienen. Blijkens het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft de vreemdeling tijdens dit gehoor niet aangegeven dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen; dit heeft hij eerst tijdens het vertrekgesprek op 12 februari 2010 gedaan. De minister heeft bij het opleggen van de bewaring derhalve geen rekening hoeven houden met een mogelijk door de vreemdeling in te dienen asielaanvraag.
De beroepsgrond faalt.
2.8. Gelet op het voorgaande, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 8 februari 2010 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 24 februari 2010 in zaak nr. 10/5122;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Brugman
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2010
205
Verzonden: 25 mei 2010
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser