ECLI:NL:RVS:2010:BM7763
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- A.W.M. Bijloos
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen niet gerechtvaardigd
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan de wederpartij een boete op wegens overtreding van artikel 2 en Pro artikel 15 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het boetebesluit. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State onderzocht of de wederpartij als werkgever in de zin van de Wav kon worden aangemerkt. Uit het boeterapport en de verklaringen van de vreemdelingen bleek onvoldoende dat zij werkzaamheden verrichtten voor de wederpartij of dat de wederpartij hen als werkgever had aangewezen. Ook ontbrak bewijs dat de wederpartij de werkzaamheden had voorkomen. De Raad concludeerde dat het boeterapport onvoldoende grondslag bood voor de boeteoplegging.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het boetebesluit werd herroepen en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de wederpartij. Tevens werd een griffierecht geheven.
Deze uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs om een boete op te leggen op grond van de Wav en bevestigt de bescherming van werkgevers tegen onterechte boetes zonder voldoende feitelijke grondslag.
Uitkomst: De boeteoplegging aan de wederpartij wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt herroepen wegens onvoldoende bewijs dat hij als werkgever kan worden aangemerkt.