ECLI:NL:RVS:2010:BM8434
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onvoldoende risico voor bescherming vreemdeling uit Kandahar bij binnenlands gewapend conflict
De vreemdeling uit Kandahar, Afghanistan, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de staatssecretaris werd afgewezen op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 15 van Pro de EU-richtlijn 2004/83/EG. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, stellende dat sprake was van een binnenlands gewapend conflict in Kandahar en dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de vreemdeling geen bescherming toekomt.
De Raad van State oordeelt dat hoewel het ambtsbericht bevestigt dat er een binnenlands gewapend conflict is in Kandahar, de mate van willekeurig geweld niet zodanig hoog is dat een burger louter door aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het standpunt van de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd was.
Het hoger beroep van de vreemdeling wordt daarom ongegrond verklaard, het beroep van de staatssecretaris gegrond, en het vonnis van de rechtbank vernietigd. De staatssecretaris hoeft geen verblijfsvergunning te verlenen omdat de situatie in Kandahar niet voldoet aan de uitzonderlijke beschermingscriteria. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris bevestigd.