Uitspraak
200505763/1) volgt, gelet op deze toelichting, uit het systeem van de Roa dat de verstrekkingen volgens de Roa kunnen worden beëindigd, indien een asielzoeker over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 2 beschikt Pro.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer beëindigde per 1 maart 2007 de aan appellant toegekende verstrekkingen volgens de Regeling opvang asielzoekers (Roa). Appellant maakte bezwaar, dat gedeeltelijk werd toegewezen door de rechtbank. Zowel het college als appellant stelden hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of bij de beoordeling van het recht op verstrekkingen volgens de Roa de aan de minderjarige kinderen toegekende verstrekkingen krachtens de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) tot de middelen van appellant moeten worden gerekend. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de inkomsten van gezinsleden, waaronder de kinderen, tot de middelen van appellant behoren, mede gelet op de toelichting bij de Roa en artikel 31 van Pro de Wet werk en bijstand.
Verder oordeelde de Afdeling dat de kinderen als gezinsleden in de zin van de Roa moeten worden aangemerkt, omdat zij met appellant in een door de gemeente beschikbaar gestelde woning woonden en appellant de biologische vader is. Ook werd geoordeeld dat de verstrekkingen krachtens de Rvb niet gelijkgesteld kunnen worden met uitkeringen krachtens de Algemene Kinderbijslagwet of toelagen volgens artikel 17 van Pro de Roa, die niet tot de middelen worden gerekend.
Ten aanzien van voedselverstrekkingen met charitatief karakter werd geoordeeld dat deze buiten beschouwing moeten blijven bij de beoordeling van het recht op verstrekkingen. De Afdeling verklaarde de hoger beroepen ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de beëindiging van de verstrekkingen aan appellant wegens voldoende bestaansmiddelen.