Uitspraak
200702720/1) strekt het in artikel 5:48 van Pro het BW toegekende recht het erf af te sluiten niet zover dat in iedere beperking van de mogelijkheid een afrastering aan te brengen, ongeacht de maat en vormgeving en het doel van de afrastering, een aantasting van dit recht kan worden gezien. Welke beperkingen toelaatbaar zijn is afhankelijk van de concrete omstandigheden, waarbij overigens in aanmerking moet worden genomen dat een beperking die in feite de toepassing van het recht onmogelijk maakt, niet toelaatbaar is. Ter beantwoording ligt hier voor de vraag of de aanwijzing van het complex en de bijbehorende binnentuin als gemeentelijk monument het recht van [appellanten sub 2] en Energieweg e.a. om de erven waarop zij een toekomstig exclusief gebruiksrecht hebben af te sluiten, feitelijk onmogelijk maakt. Uit de aan de aanwijzing ten grondslag gelegde adviezen kan worden afgeleid dat de monumentale waarde van de tuin onder meer is gelegen in de ontoegankelijkheid en de onverdeeldheid ervan. Daaruit vloeit echter, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet voort dat het oprichten van een erfafscheiding niet meer mogelijk is. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is daarvoor wel een vergunning vereist. In het kader van een aanvraag om een dergelijk vergunning dienen de belangen van de aanvrager te worden afgewogen tegen de belangen van het te beschermen monument. Dat betekent dat in het vergunningenbeleid rekening moet worden gehouden met het monumentale karakter van de binnentuin, maar ook dat recht moet worden gedaan aan artikel 5:48 van Pro het BW. Het dagelijks bestuur mag derhalve niet zo ver gaan dat elke aanvraag om zo'n vergunning om een erfafscheiding op te richten wordt geweigerd, vanwege het enkele feit dat een erfafscheiding afdoet aan het monumentale karakter van de tuin. Dat zou immers betekenen dat het recht het erf af te sluiten feitelijk onmogelijk wordt gemaakt. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur te kennen gegeven dat, hoewel er nog geen beleid is ten aanzien van de vraag wanneer een vergunning zal worden verleend, op dit moment wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor het oprichten van erfafscheidingen, waarbij met in achtneming van het bepaalde in artikel 5:48 van Pro het BW zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan de monumentale waarde van de binnentuin. Het dagelijks bestuur heeft in dat verband benadrukt dat die mogelijkheden er wel degelijk zijn en dat per geval zal worden bekeken of een vergunning kan worden verleend. Dat de CWM naar aanleiding van een door het dagelijks bestuur verrichte voortoets van een bouwplan voor een erfafscheiding negatief advies heeft uitgebracht, omdat de opdeling van de tuin een forse aantasting van het concept dat aan het complex als geheel ten grondslag ligt betekent, doet daaraan niet af, nu de CWM uitsluitend adviseert over de aantasting van de monumentale waarden die bij de vergunningaanvraag een rol spelen, terwijl de uiteindelijke belangenafweging door het dagelijks bestuur moet worden gemaakt, waarbij in een voorkomend geval van het advies van de CWM kan worden afgeweken. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de Afdeling voldoende komen vast te staan dat de aanwijzing van het complex inclusief de binnentuin als monument de mogelijkheden om het erf af te sluiten niet onmogelijk maakt, zodat het betoog slaagt.