Uitspraak
200806453/1/H1), kunnen eventuele gebreken in de voorbereiding van het vrijstellingsbesluit in de bezwaarfase worden hersteld. Vaststaat dat de Stichting, daartoe in de gelegenheid gesteld, voorafgaand aan het besluit op bezwaar bij brief van 31 januari 2008 heeft gereageerd op deze stukken. Bovendien heeft op 7 februari 2008 een nadere hoorzitting van de bezwaarcommissie plaatsgevonden waarbij de Stichting was vertegenwoordigd. Aldus is het gebrek met betrekking tot onderzoek naar luchtkwaliteit en geluidhinder bij het besluit op bezwaar hersteld. Voor zover de Stichting betoogt dat de stukken niet duidelijk waren, dan wel haar geen duidelijk beeld van het beoogde project verschaften, faalt dat betoog. Het had op de weg van de Stichting gelegen daarover uitleg te vragen bij het college.
200601135/1goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Uit te werken gebied voor centrumdoeleinden" onthouden omdat uit het aan de vaststelling van dat plan ten grondslag gelegde onderzoek onvoldoende was aangetoond dat voldaan kon worden aan de eisen van het Besluit luchtkwaliteit 2005 en voorts omdat de planvoorschriften de bouw van een parkeergarage met slechts één bouwlaag mogelijk maakten dit terwijl vaststond dat slechts aan de parkeerbehoefte in het plangebied kon worden voldaan bij een parkeergarage met twee bouwlagen. Voor het overige zijn bij die uitspraak de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond verklaard. Anders dan de Stichting betoogt brengt deze uitspraak niet met zich dat aan de door de gemeenteraad in het bestemmingsplan "Damcentrum" gemaakte keuze voor bebouwing op het Damplein de betekenis is ontnomen en dat dit bestemmingsplan om die reden in zoverre niet kan dienen als ruimtelijke onderbouwing.
200502035/1 en 200502104/1) bij de beantwoording van de vraag of voorzien wordt in voldoende parkeermogelijkheden alleen rekening moet worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan. Een reeds bestaand tekort mag derhalve buiten beschouwing worden gelaten. De door de Stichting overgelegde memo's van Mobycon van 28 februari 2007 en 14 maart 2008 gaan ten onrechte uit van een ander uitgangspunt en leiden reeds daarom niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat de betreffende wethouder in de vergadering van de gemeenteraad van 6 april 2004 heeft aangegeven dat bewoners van de Delfsekade zich kunnen aanmelden voor een plek in de parkeergarage, daargelaten de betekenis van die uitnodiging, doet er niet aan af dat het project voldoet aan de parkeernorm van het bestemmingsplan "Damcentrum".
200203751/1, kan niettemin uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet worden voorbijgegaan aan de vraag of ter plaatse van de woningen waarin het project voorziet een goed leef- en woonklimaat is verzekerd. Het college heeft bij besluit van 11 september 2007, overeenkomstig artikel 83, eerste en tweede lid, van de Wet geluidhinder, de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel vastgesteld op 63 dB. In het rapport van Goudappel van 15 november 2007 wordt geconcludeerd dat deze waarde met het aanbrengen van een asfaltverharding op het Damplein niet wordt overschreden, ook niet indien de verkeersintensiteit niet afneemt. Het door de Stichting overgelegde rapport van Kupers & Niggebrugge van 24 maart 2008 geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich gelet op het rapport van Goudappel niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een goed leef- en woonklimaat ter plaatse van bedoelde woningen kan worden verzekerd. Niet valt in te zien dat in dat rapport ten onrechte is uitgegaan van een aftrek van 5 dB als bedoeld in artikel 110g van de Wet geluidhinder nu artikel 3.6 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 daarin uitdrukkelijk voorziet. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat de in het rapport van Goudappel gemaakte berekeningen niet volgens dit voorschrift zijn uitgevoerd. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat ter plaatse van de woningen uit oogpunt van geluidhinder geen goed leef- en woonklimaat is verzekerd.
200508708/1) kan, indien het bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. De Stichting heeft dat niet aannemelijk gemaakt.