Uitspraak
200200469/1, heeft het college bij zijn beoordeling een onjuiste maatstaf aangelegd.
Raad van State
Het college verleende op 7 april 2009 een bouwvergunning voor het oprichten van een duiventil op een perceel binnen een woongebied. Appellant maakte bezwaar tegen deze vergunning, stellende dat de bouw in strijd was met het bestemmingsplan, met name vanwege de oppervlakte van bijgebouwen en de ruimtelijke uitstraling van het houden van maximaal 190 duiven.
De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar gegrond en schorste het besluit, waarna het college het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde. Appellant stelde beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak en oordeelde dat de garage integraal onderdeel is van het hoofdgebouw, waardoor de oppervlakte van aan- en bijgebouwen niet groter is dan die van het hoofdgebouw, conform het bestemmingsplan.
Voorts werd geoordeeld dat het houden van duiven hobbymatig is en geen bedrijfsmatig karakter heeft, zodat de ruimtelijke uitstraling niet onverenigbaar is met de woonfunctie. Ook is geen milieuvergunning vereist. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de bouwvergunning voor de duiventil.