Uitspraak
200801932/1/R1brengt het zorgvuldigheidsbeginsel met zich, indien een bestemmingsplan met de in afdeling 3.4 van de Awb neergelegde uniforme openbare voorbereidingsprocedure is voorbereid, zoals in het onderhavige geval, dat de indiener van de binnen de wettelijke termijn naar voren gebrachte niet nader aangeduide bezwaren onverwijld in de gelegenheid wordt gesteld om deze binnen twee weken van gronden te voorzien. Voor zover er een termijn van niet langer dan twee weken wordt gegund, is er geen gevaar dat de in artikel 25 van Pro de WRO neergelegde beslistermijn omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan in gedrang komt.
200603048/1, is het vaststellen van een geluidszone in een ander plan dan waarin de bestemming voor het betreffende gebied wordt gewijzigd in beginsel niet in strijd met het recht of een goede ruimtelijke ordening. Dit laat evenwel onverlet dat de geluidszone - behoudens de situatie dat uitsluitend is beoogd de geluidsruimte van een al bestaand gezoneerd terrein aan te passen in welk geval alleen de zone wijzigt - tegelijkertijd of nagenoeg tegelijkertijd met het plan dat voorziet in een (wijziging van de) bestemming op grond waarvan inrichtingen als bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer zijn toegestaan, dient te worden gewijzigd. In dit geval is daar aan voldaan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college geen goedkeuring aan de beide bestemmingsplannen heeft kunnen verlenen omdat de beide ontwerpbestemmingsplannen gelijktijdig ter inzage zijn gelegd en het bestemmingsplan "Geluidszone" als bijlage is gevoegd bij het bestemmingsplan "Bedrijventerrein".