ECLI:NL:RVS:2010:BN3371
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling uitzonderlijke situatie in Noord-Sri Lanka voor asielbescherming
De zaak betreft het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter die het besluit van de staatssecretaris van Justitie vernietigde om een asielaanvraag van een vreemdeling uit Noord-Sri Lanka af te wijzen. De vreemdeling stelde dat hij vanwege de escalatie van het gewapend conflict in Noord-Sri Lanka sinds medio 2008 aanspraak maakte op bescherming onder artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.
De staatssecretaris had het standpunt ingenomen dat er geen sprake was van een uitzonderlijke situatie in Noord-Sri Lanka ten tijde van het besluit, mede op basis van een ambtsbericht van augustus 2009 en een rapport van de UNHCR uit juli 2009 waarin werd gesteld dat het gewapend conflict was beëindigd. De voorzieningenrechter had dit standpunt verworpen, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de voorzieningenrechter onvoldoende had onderkend dat individuele risicofactoren, zoals etnische afkomst, niet relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15.
De Afdeling stelde vast dat het standpunt van de UNHCR uit april 2009 dat er sprake was van een uitzonderlijke situatie destijds niet zonder nadere motivering kon worden verworpen. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het hoger beroep gegrond. Echter, omdat het gewapend conflict sinds mei 2009 was beëindigd en de UNHCR haar standpunt had aangepast, werd met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
De minister van Justitie werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.288,00. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 18 juni 2010.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het vernietigde besluit blijft echter in rechtsgevolg in stand.