ECLI:NL:RVS:2010:BM5534
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens situatie in Kabul en etnische afkomst
De vreemdeling, van Hazara afkomst, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend die door de staatssecretaris van Justitie op 13 december 2009 werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG bescherming biedt in uitzonderlijke situaties van algemeen willekeurig geweld in een gewapend conflict, waarbij iedere burger louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt. Individuele factoren zoals etnische afkomst zijn hierbij niet relevant, maar kunnen wel leiden tot bescherming op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Uit het ambtsbericht, het UNHCR-rapport en andere stukken bleek dat de veiligheidssituatie in Kabul was verslechterd met meer veiligheidsincidenten en slachtoffers, maar niet zodanig dat sprake was van de uitzonderlijke situatie bedoeld in artikel 15. De Afdeling oordeelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte had geoordeeld dat onvoldoende aandacht was besteed aan het ontbreken van relevantie van de Hazara afkomst in dit kader.
Verder faalden de beroepsgronden over het ontbreken van categorale bescherming en de afdoening van de aanvraag in een aanmeldcentrum. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel bevestigd.