Uitspraak
200602308/1.)
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze verleende op 25 augustus 2009 een revisievergunning voor een leghennenbedrijf aan een vergunninghouder. Diverse appellanten, waaronder bewoners en milieuorganisaties, stelden beroep in tegen dit besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het beroep op 31 mei 2010.
De Raad oordeelde dat enkele appellanten niet als belanghebbenden konden worden aangemerkt vanwege de afstand tot de inrichting, waardoor hun beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Daarnaast werden beroepsgronden over geluidhinder door sommigen niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van zienswijzen in de voorbereidingsfase. De overige bezwaren, zoals onjuiste perceelsaanduiding, toepassing van milieueffectrapportage, coördinatieregeling en ammoniakemissies, werden ongegrond bevonden.
Wel stelde de Raad vast dat het college ten onrechte geen controlevoorschriften aan de vergunning had verbonden voor de naleving van de geluidgrenswaarden, zoals vereist op grond van artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Dit vormde een schending van de wettelijke voorschriften, waardoor het besluit op dit punt werd vernietigd. De Raad voegde controlevoorschriften toe aan de vergunning en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan de milieuorganisaties.
Uitkomst: Het besluit wordt vernietigd wegens het ontbreken van controlevoorschriften voor geluid, met toevoeging van dergelijke voorschriften aan de vergunning.