ECLI:NL:RVS:2010:BN9193
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt gelijk in hoger beroep over ononderbroken verblijf sinds 1 april 2001
De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie om geen aanbod te doen op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud). De rechtbank had het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard omdat volgens de staatssecretaris niet was aangetoond dat de vreemdeling vóór 1 april 2001 Nederland was ingereisd en sindsdien ononderbroken verbleef.
In hoger beroep stelde de Raad van State vast dat de Regeling en de totstandkomingsgeschiedenis geen grond bieden voor het standpunt dat de vreemdeling moet aantonen dat hij vóór 1 april 2001 Nederland weer is ingereisd. De Regeling gaat uit van een verklaring van de burgemeester waaruit ononderbroken verblijf sinds 1 april 2001 kan worden aangenomen, tenzij aantoonbaar vertrek na die datum is vastgesteld.
De vreemdeling beschikte over een geldige burgemeestersverklaring en er was geen bewijs van vertrek na 1 april 2001. Daarom was het besluit van de staatssecretaris onterecht en werd het vernietigd. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep van de vreemdeling werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd en de vreemdeling krijgt een aanbod op grond van de Regeling wegens aannemelijk ononderbroken verblijf sinds 1 april 2001.