ECLI:NL:RVS:2010:BO0989
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt geen nieuwe bescherming na afwijzing verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, die door de staatssecretaris van Justitie op 24 juni 2009 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval een nieuw besluit. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling weliswaar bescherming had gezocht en gekregen van de Iraakse autoriteiten tegen bedreigingen, maar dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat deze bescherming niet effectief was. De door de vreemdeling aangevoerde rapporten en ambtsberichten konden dit niet onderbouwen. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat nader onderzoek nodig was.
Daarom werd het hoger beroep van de minister gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.