ECLI:NL:RVS:2010:BO2715

Raad van State

Datum uitspraak
3 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201000103/1/H1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R. van der Spoel
  • J.C. Kranenburg
  • N.S.J. Koeman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 133 WoningwetWoonwagenwet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering bouwvergunning woonwagen te Breda

Het college van burgemeester en wethouders van Breda weigerde op 24 september 2008 vrijstelling en een bouwvergunning voor het plaatsen van een woonwagen en berging op een perceel te Breda. De rechtbank verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit van het college. Het college stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat voor de bestaande woonwagen, die vóór 1 oktober 1992 overeenkomstig de Woonwagenwet is geplaatst en sindsdien niet is vervangen of gewijzigd, geen bouwvergunningplicht geldt op grond van artikel 133 van Pro de Woningwet. Hierdoor is de weigering van het college onterecht.

De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, herroept het besluit van 24 september 2008 en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 12 januari 2009. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de wederpartij.

Uitkomst: Het besluit van het college tot weigering van de bouwvergunning voor de woonwagen wordt vernietigd omdat geen bouwvergunningplicht geldt.

Uitspraak

201000103/1/H1.
Datum uitspraak: 3 november 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Breda,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 november 2009 in zaak nr. 09/1448 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
het college.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2008 heeft het college geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een woonwagen en een berging op het perceel [locatie] te Breda (hierna: het perceel).
Bij besluit van 12 januari 2009 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van
24 september 2008 in stand gelaten.
Bij uitspraak van 18 november 2009, verzonden op 30 november 2009, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 12 januari 2009 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 juli 2010.
[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 augustus 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. drs. R.M.J.F. Meeuwis, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De aanvraag is ingediend ter legalisering van een bestaande woonwagen en berging op het perceel. Ter zitting is vastgesteld dat het geschil zich beperkt tot de weigering vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de woonwagen.
2.2. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het geen gebruik heeft kunnen maken van de in het bestemmingsplan opgenomen bevoegdheid om voor het plaatsen van de woonwagen vrijstelling te verlenen.
2.2.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of voor het plaatsen van de woonwagen een bouwvergunningplicht geldt. Hoewel de rechtbank hierover al een, in hoger beroep onaangevochten, oordeel heeft gegeven, bestaat toch aanleiding deze voorvraag te beantwoorden nu sprake is van nauwe verwevenheid met de vraag of het college terecht geen toepassing heeft gegeven aan de in het bestemmingsplan opgenomen vrijstellingsmogelijkheid. Indien geen bouwvergunningplicht bestaat, is de vrijstellingsmogelijkheid niet van belang.
2.2.2. Ingevolge artikel 133 van Pro de Woningwet, is een overeenkomstig de Woonwagenwet op een standplaats geplaatste woonwagen dan wel een woonwagen waarvan de plaatsing op een standplaats wordt gedoogd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, tot het tijdstip waarop die woonwagen wordt vervangen.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, wordt onder woonwagen verstaan: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.
2.2.3. Met de inwerkingtreding van de herziene Woningwet op 1 oktober 1992 is voor het plaatsen van een woonwagen met een permanent en plaatsgebonden karakter de Woningwet en het daarin opgenomen bouwvergunningstelsel van toepassing. Tot 1 maart 1999 was daarnaast nog de Woonwagenwet van toepassing. De tekst van artikel 133 van Pro de Woningwet biedt geen duidelijkheid omtrent de bouwvergunningplicht voor woonwagens die vóór 1 oktober 1992 overeenkomstig de Woonwagenwet zijn geplaatst dan wel waarvan de plaatsing werd gedoogd op het tijdstip van inwerkingtreding van de herziene Woningwet. Volgens de notitie van de staatssecretaris van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer "Wetgeving wonen op een standplaats in de jaren negentig", Kamerstukken II 1990-1991, 22 059, nr. 2, p. 14-15, vallen woonwagens op standplaatsen die in het verleden via planologische bestemming zijn gerealiseerd als standplaats op een openbaar centrum of als standplaats buiten een openbaar centrum, ongeacht of zij voldoen aan het bepaalde in het oude Woonwagenreglement, onder het overgangsrecht van artikel 133 van Pro de Woningwet. In de Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1988/1989, 20 066, nr. 9, p.46-47 wordt in dit kader, eveneens onder verwijzing naar de in het verleden gehanteerde praktijk om niet handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van woonwagens die niet voldoen aan het Woonwagenreglement, opgemerkt dat bedoeld is deze gevallen onder het overgangsrecht te brengen. Gezien deze parlementaire stukken moet artikel 133 van Pro de Woningwet aldus worden verstaan dat voor woonwagens met een permanent en plaatsgebonden karakter die vóór 1 oktober 1992 overeenkomstig de Woonwagenwet zijn geplaatst dan wel waarvan de plaatsing werd gedoogd op het tijdstip van inwerkingtreding van de herziene Woningwet geen bouwvergunningplicht geldt, tenzij deze woonwagens na 1 oktober 1992 zijn vervangen of nadien wijzigingen zijn aangebracht die niet bouwvergunningvrij zijn. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 november 1996, in zaaknr. R03.94.0111; aangehecht) is de datum van plaatsing van de woonwagen bepalend voor de bouwvergunningplicht van de woonwagen en is met artikel 133 van Pro de Woningwet niet beoogd dit anders te regelen.
Ter zitting is gebleken dat de woonwagen van [wederpartij] vóór 1 oktober 1992 onder begeleiding van de gemeente op het perceel is geplaatst en dat de woonwagen nadien niet is vervangen en gewijzigd in de hiervoor bedoelde zin. Gelet op artikel 133 van Pro de Woningwet is onder deze omstandigheden, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, voor de plaatsing van de woonwagen geen bouwvergunning vereist. Dit betekent dat aan een inhoudelijke beoordeling van de hiervoor weergegeven beroepsgrond van het college niet wordt toegekomen.
2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het college is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling ziet voorts aanleiding om zelf voorziend in de zaak het besluit van 24 september 2008 te herroepen en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het besluit van het reeds door de rechtbank vernietigde besluit van 12 januari 2009. Dit brengt met zich dat het college niet meer op de aanvraag hoeft te beslissen.
2.4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 november 2009 in zaak nr. 09/1448, voor zover daarbij het college van burgemeester en wethouders van Breda is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank;
III. herroept het besluit van 24 september 2008, kenmerk PBZ/2007/1823/RB/01;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 12 januari 2009, kenmerk 1.2008.0326.001;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Breda tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertigeuro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Spoel w.g. Van Dorst
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010
414-564.