ECLI:NL:RVS:2010:BO2738
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- H. Troostwijk
- C.W. Mouton
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergunning voor aanleg rietmoeras ondanks bezwaren over woonbootligplaats en kranswiervelden
De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat verleende op 12 november 2008 een vergunning aan het stadsdeel Zeeburg voor het maken en onderhouden van een buitendijks rietmoeras in het IJmeer langs de Diemerzeedijk. Appellant voerde bezwaar aan tegen deze vergunning, stellende dat het gebruik van de locatie als ligplaats voor zijn woonboot en het transport daarvan, alsmede de waterkwaliteit, bedreigd zouden worden door het rietmoeras. Tevens stelde appellant dat de aanwezige kranswiervelden ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in haar uitspraak van 3 november 2010 overwogen dat de ligplaats en het transport van de woonboot en de waterkwaliteit geen waterstaatkundige belangen zijn zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr). Daarnaast is geoordeeld dat de bescherming van deze belangen reeds geregeld is via andere wetgeving zoals de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
Ten aanzien van de kranswiervelden is vastgesteld dat deze niet beschermd hoeven te worden op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wbr omdat de Flora- en faunawet voorziet in hun bescherming. Ook is overwogen dat het belang van de ecologische verbindingszone, waarvoor het rietmoeras dient, zwaarder weegt dan het behoud van de niet-beschermde kranswiervelden op de locatie.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor het rietmoeras wordt bevestigd.