Uitspraak
200501746/1, bij haar beoordeling terecht als uitgangspunt genomen dat voor een wijziging van ondergeschikte aard van een bouwplan geen nieuwe bouwaanvraag is vereist. Ter zitting is gebleken dat de wijziging van het bouwplan enkel betrekking heeft op verhoging van de nokhoogte van de woningen met 20 centimeter van 8,90 meter naar 9,10 meter en dat in verband daarmee de totale bouwmassa van het bouwplan toeneemt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat deze wijziging van het bouwplan, zowel op zichzelf beschouwd als afgezet tegen het totale bouwplan, waarvoor bij besluit van 21 december 2007 bouwvergunning is verleend, een wijziging van ondergeschikte aard betreft met een geringe ruimtelijke uitstraling. Anders dan [appellant A] en anderen stellen, heeft het gewijzigde bouwplan, evenals het oorspronkelijke bouwplan, betrekking op 7 woningen. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat een nieuwe aanvraag om bouwvergunning is vereist en dat het college het gewijzigde bouwplan ten onrechte aan zijn besluiten op bezwaar van 12 augustus 2008 ten grondslag heeft gelegd.
200605602/1, terecht vooropgesteld dat de VNG-brochure een globaal en indicatief karakter heeft en dat een afwijking van de hierin opgenomen afstanden moet worden gemotiveerd. Niet in geschil is dat de activiteiten in het nabijgelegen pand van de Jehova's getuigen kunnen worden aangemerkt als activiteiten, als bedoeld in SBI-code 9131 in de VNG-brochure. Voor dergelijke activiteiten wordt in de VNG-brochure uit het oogpunt van geluidhinder in een rustige woonwijk een kortste afstand aanbevolen van 30 meter tussen deze activiteit en woningen. Niet wordt betwist dat de afstand tussen de te realiseren woningen en het gebouw van de Jehova's getuigen minder dan 30 meter bedraagt, zodat aan de in de VNG-brochure aanbevolen afstand niet wordt voldaan. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat niettemin sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat in dit geval aldus van die brochure kan worden afgeweken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het college verwezen naar de "Akoestische prognose gewijzigde situatie koninkrijkszaal Kattebos 150 te Heerenveen" van Servicebureau De Friese Wouden van 3 juli 2007. Het college heeft in aanmerking genomen dat uit dit akoestisch onderzoek is gebleken dat het zogenoemde langtijdgemiddelde geluidsniveau van 50 dB(A) ter plaatse ten gevolge van de bijeenkomsten van de Jehova's getuigen niet wordt overschreden. De gemeten piekniveaus, vanwege startende motoren en dichtslaande portieren, zijn volgens hem aanvaardbaar omdat die incidenteel en kortdurend zijn en ook elders in de woonwijk voorkomen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college op dit akoestisch onderzoek mocht afgaan. Bij dit oordeel heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat het onzorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins gebreken vertoont en dat [appellant A] en anderen in dit verband geen tegenadvies van een andere deskundig te achten persoon of instantie hebben overgelegd. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant A] en anderen op dit punt hebben aangevoerd terecht geen aanknopingspunten gezien voor de conclusie dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanwege de activiteiten van de Jehova's getuigen niet zodanige geluidoverlast is te verwachten dat ter plaatse van de in het bouwplan voorziene woningen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zodat in dit geval van de in de VNG-brochure aanbevolen afstand kan worden afgeweken.