Uitspraak
200602097/1) volgt uit artikel 8:29 van Pro de Awb dat de procespartij die geen kennis zal mogen nemen van stukken waarvan beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, daadwerkelijk door de rechtbank in de gelegenheid moet worden gesteld om al dan niet de toestemming als bedoeld in het vijfde lid van dat artikel te verlenen. De rechtbank heeft dat in dit geval niet gedaan, zodat het betoog dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met voormelde bepaling terecht is voorgedragen. Gegeven de toestemming van [appellant] in hoger beroep aan de Afdeling om mede op grondslag van de vertrouwelijk overgelegde stukken uitspraak te doen, bestaat evenwel geen aanleiding om op die grond tot vernietiging van de aangevallen uitspraak over te gaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2000 in zaak nr. 199902600/1, LJN: AA7466).
200606369/1). Voorts is ten aanzien van die informatie niet gebleken dat zich een andere in de Wob genoemde weigeringsgrond voordoet die zich tegen openbaarmaking daarvan verzet. Derhalve moet worden geoordeeld dat het college de tekst onder de kopjes "Probleemstelling", "Het bestemmingsplan" en onder punt 1 van het kopje "Beoordeling" van het advies van 4 april 2008 ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend. Het betoog slaagt in zoverre.