Uitspraak
200803873/1. VTM en anderen hebben tegen deze uitspraak bij brief van 2 september 2009 een klacht ingediend bij de Europese Commissie.
Raad van State
De minister verleende op 19 augustus 2008 een ontheffing aan het Hoogheemraadschap van Delfland op grond van artikel 75 van Pro de Flora- en faunawet voor het gebruik van de bergboezem Berkel als calamiteitenberging. Deze ontheffing werd gehandhaafd na bezwaar en de rechtbank verklaarde het beroep van VTM en anderen ongegrond.
VTM en anderen stelden dat de ontheffing de gunstige staat van instandhouding van beschermde weidevogels, met name de grutto, zou schaden doordat het broedgebied zou verdwijnen. Ze betoogden dat de minister de Flora- en faunawet te beperkt had uitgelegd en dat de frequentie van het onder water zetten van de bergboezem hoger zou zijn dan aangenomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de ontheffing uitsluitend geldt voor calamiteitenberging en niet voor herinrichtingswerkzaamheden. De minister mocht aannemen dat de bergboezem slechts sporadisch wordt gebruikt, waardoor de populatie vogels niet wezenlijk wordt beïnvloed. Ook was de keuze voor de bergboezem Berkel als locatie gerechtvaardigd, omdat alternatieven zoals de bergboezem Schieveen geen reëel alternatief vormden.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ontheffing voor calamiteitenberging wordt bevestigd.