ECLI:NL:RVS:2010:BO8041

Raad van State

Datum uitspraak
10 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201005144/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ambtshalve aanbod wegens ontbreken burgemeestersverklaring

De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet ongegrond verklaarde.

De vreemdeling stelde ononderbroken verblijf in Nederland sinds 1 april 2001, maar kon dit niet aantonen met een burgemeestersverklaring. Volgens vaste jurisprudentie kan alleen deze verklaring als bewijs dienen indien de vreemdeling niet traceerbaar is voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

De vreemdeling voerde aan dat het ontbreken van de verklaring hem pas laat was tegengeworpen en dat de staatssecretaris bekend was met stukken die hij aan de burgemeester had verstrekt. De Raad van State oordeelde echter dat de vreemdeling geen feiten of omstandigheden had gesteld die een nadere beoordeling van het ontbreken van de verklaring rechtvaardigen.

Daarmee is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201005144/1/V1.
Datum uitspraak: 10 december 2010
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 27 april 2010 in zaak nr. 09/11966 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: de Regeling) ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 27 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 mei 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2010, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.J.J. Fraanje, advocaat te Dordrecht, en de minister, vertegenwoordigd door drs. H. Heinink, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij het besluit van 26 maart 2009 heeft de staatssecretaris de weigering om de vreemdeling ambtshalve een aanbod op grond van de Regeling te doen, in bezwaar gehandhaafd omdat de vreemdeling niet door middel van een burgemeestersverklaring aannemelijk heeft gemaakt dat hij sedert 1 april 2001 ononderbroken in Nederland heeft verbleven.
2.2. De grieven, in onderlinge samenhang bezien en samengevat weergegeven, richten zich tegen de overweging van de rechtbank dat, hoewel de staatssecretaris ambtshalve bekend was met de stukken die de vreemdeling aan de burgemeester van Gorinchem had verstrekt teneinde de verklaring bedoeld onder 2.1 te verkrijgen, geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris deze stukken ambtshalve in de onderhavige procedure bij de beoordeling had moeten betrekken en dat de vreemdeling in de bestuurlijke fase nimmer een beroep op deze stukken heeft gedaan en evenmin ter zake een uitdrukkelijk bewijsaanbod heeft gedaan.
Daartoe voert de vreemdeling aan dat het ontbreken van de burgemeestersverklaring hem pas bij het besluit van 26 maart 2009 is tegengeworpen, waardoor hem de mogelijkheid is onthouden daarop eerder te reageren. Bovendien was de staatssecretaris ermee bekend dat de vreemdeling rechtsmiddelen had aangewend tegen de weigering hem een burgemeestersverklaring te verstrekken.
2.3. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2010 in zaak nr. 200909997/1/V1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat, indien een vreemdeling niet traceerbaar is voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst maar toch stelt sedert 1 april 2001 ononderbroken in Nederland te hebben verbleven, uitsluitend de burgemeestersverklaring als bewijs daarvan kan dienen. Dit laat onverlet dat rechtsmiddelen openstaan tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling, in welk kader ook het ontbreken van een burgemeestersverklaring aan de orde kan worden gesteld. Het ligt op de weg van de desbetreffende vreemdeling om dienaangaande feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken, die meebrengen dat de staatssecretaris niet zonder nadere beoordeling het ontbreken van de burgemeestersverklaring aan zijn besluit ten grondslag kan leggen.
2.4. De vreemdeling heeft geen feiten of omstandigheden, als bedoeld onder 2.3, gesteld en aannemelijk gemaakt, zodat de grieven niet kunnen leiden tot het ermee beoogde doel.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. De Groot
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2010
210.
Verzonden:10 december 2010
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser