ECLI:NL:RVS:2011:BP1919
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vreemdelingenbewaring en bewijs identiteit op grond van arrest Brax
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld en stelde dat hij Nederland wilde verlaten om met zijn partner naar Duitsland te vertrekken. Hij voerde aan dat op grond van het arrest Brax zijn identiteit voldoende was vastgesteld, ook al beschikte hij niet over een geldig paspoort. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, maar had volgens de vreemdeling niet voldoende rekening gehouden met de uitleg van het arrest Brax.
De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat lidstaten burgers van de Unie en hun gezinsleden op vertoon van een geldig identiteitsbewijs moeten toelaten, maar dat bij het ontbreken daarvan de grensweigering niet is uitgesloten. Het arrest Brax stelt dat zonder geldig paspoort of identiteitskaart de identiteit en gezinsbanden niet geldig kunnen worden bewezen. De stukken van de vreemdeling waren slechts kopieën zonder vastgestelde authenticiteit, waardoor geen voldoende bewijs was geleverd.
De vreemdeling kon daarom geen aanspraken ontlenen aan het Unierecht voor toegang tot Duitsland en had ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in de gelegenheid was Nederland te verlaten. De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring blijft gehandhaafd wegens onvoldoende bewijs van identiteit.