Uitspraak
200204616/1, is aan de eis dat gebouwen en bouwwerken ten dienste moeten staan aan de uitoefening van een agrarisch bedrijf voldaan indien kan worden gesproken van agrarische activiteiten met een werkelijk bedrijfsmatig karakter (een zogenoemd reëel agrarisch bedrijf). Verdergaande vereisten met betrekking tot de omvang van de agrarische bedrijfsuitoefening, zoals de voorwaarde van "volwaardigheid" van het bedrijf, gelden slechts voor zover ze in de planvoorschriften uitdrukkelijk zijn gesteld, hetgeen hier niet het geval is. Hoewel [appellant sub 1] in zoverre terecht betoogt dat de planvoorschriften niet uitsluitend een volwaardig agrarisch bedrijf ter plaatse toestaan, kan dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Uit die uitspraak blijkt niet dat de rechtbank heeft beoordeeld of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld of sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, maar of sprake is van een (reëel) agrarisch bedrijf.
200606520/1volgt dat bij de oprichting van een eerste bedrijfswoning een reëel belang om te wonen bij het agrarische bedrijf, gelet op de aard en omvang daarvan, voldoende is voor de noodzakelijkheid van die woning.