Uitspraak
200306936/1, voor zover hier van belang, het besluit van het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht omtrent goedkeuring heeft vernietigd, onder meer wat betreft het plandeel met de bestemming "Verblijfsrecreatie, camping (Rv(c))" betreffende camping "De Berekuil", en zelf in de zaak heeft voorzien door goedkeuring te onthouden aan dit plandeel, alsmede dat het college geen gevolg heeft gegeven aan de verplichting ingevolge artikel 30, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), om in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Voorts ligt aan het oordeel van de voorzieningenrechter ten grondslag dat de Afdeling in die uitspraak geen aanleiding heeft gezien het standpunt van het college van gedeputeerde staten van Utrecht, dat met de in het bestemmingsplan voor recreatieverblijven toegestane maximale oppervlakte van 60 m2 een voldoende ruime en aanvaardbare maat is geboden, in beginsel onredelijk of anderszins onjuist te achten en dat de vraag of deze regeling voldoende rekening houdt met individuele gevallen eerst na inventarisatie zal kunnen worden beantwoord en in het kader van het ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO op te stellen bestemmingsplan aan de orde kan komen. Tot slot ligt aan het oordeel van de voorzieningenrechter ten grondslag dat de tegen het op te stellen bestemmingsplan in te roepen rechtsbescherming met de voorliggende besluitvorming illusoir wordt gemaakt en dat niet valt in te zien welk rechtens te respecteren belang van de zijde van het college maakt dat niet met handhavend optreden kan worden gewacht tot het komende bestemmingsplan onherroepelijk is. Hierbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat het college lang de tijd heeft genomen om een nieuw bestemmingsplan voor te bereiden, dat de overtreding van geringe aard en ernst is, alsmede dat niet is gebleken van derden wier belangen rechtstreeks in geding zijn wanneer in dit stadium van handhavend optreden jegens [wederpartij] en anderen zou worden afgezien in afwachting van de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure.
200200095/1) volgt dat de termijn als bedoeld in artikel 30 van Pro de WRO in zoverre een termijn van orde betreft dat het overschrijden van die termijn niet tot gevolg heeft dat het college van handhaving van het vigerende bestemmingsplan had moeten afzien. Daar komt nog bij dat het college zich in zijn besluiten op bezwaar op het standpunt heeft gesteld niet bereid te zijn medewerking te verlenen aan legalisatie van de huidige omvang van de recreatieverblijven, omdat deze niet past in zowel het geldende bestemmingsplan als het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan voor camping "De Berekuil". Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is in dat verband gebleken dat de in de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2004 bedoelde inventarisatie heeft plaatsgevonden in het kader van de voorbereiding van het laatstgenoemde bestemmingsplan, waarin een maximale oppervlakte voor recreatieverblijven van 60 m² , met een ontheffingsmogelijkheid tot maximaal 66 m² is voorzien. Hieruit blijkt dat het merendeel van de recreatieverblijven een oppervlakte heeft van 66 m² of minder, dat slechts 12 recreatieverblijven deze oppervlakte overschrijden en dat in zoverre ook voor deze individuele gevallen de in het plan voorziene maatvoering aanvaardbaar wordt geacht.