ECLI:NL:RVS:2011:BP6851
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen recht op verblijfsvergunning voortgezet verblijf wegens ontbreken bijzondere individuele omstandigheden
De vreemdeling had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf bij partner', die met terugwerkende kracht tot 2 mei 2008 is ingetrokken. De rechtbank had geoordeeld dat de vreemdeling voldeed aan de vereiste van drie jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 3.51 van het Vreemdelingenbesluit 2000, mede doordat zij op 27 april 2005 met een geldige machtiging tot voorlopig verblijf was binnengekomen, ondanks dat de aanvraag pas op 11 mei 2005 werd ingediend.
De minister stelde dat de rechtbank ten onrechte haar oordeel had gesteld in plaats van dat van de staatssecretaris en dat geen bijzondere individuele omstandigheden waren die voortgezet verblijf rechtvaardigen. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt kon stellen dat de administratieve vertraging geen bijzondere individuele omstandigheid vormt en dat ook andere aangevoerde omstandigheden, zoals het krijgen van een kind in Nederland, geen reden zijn voor voortgezet verblijf.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning gehandhaafd.