Uitspraak
200802341/1), mag slechts met toepassing van deze bepaling van het horen worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
Raad van State
Het CBR verklaarde het rijbewijs van appellant ongeldig omdat hij niet verscheen voor een medisch onderzoek. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd zonder hem te horen ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was, omdat appellant ADHD heeft en mogelijk een geldige reden had voor zijn afwezigheid. Het CBR had appellant daarom moeten horen voordat het bezwaar werd afgewezen. Dit was niet gebeurd, waardoor het besluit van 20 oktober 2008 vernietigd werd.
Desondanks oordeelde de Afdeling dat het CBR het rijbewijs terecht ongeldig verklaarde, omdat appellant niet tijdig hulp had gezocht voor zijn administratie en de bewindvoerder niet tijdig op de hoogte was. De rechtsgevolgen van het besluit blijven daarom in stand.
De Afdeling veroordeelde het CBR tot vergoeding van de proceskosten en tot terugbetaling van het griffierecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het bezwaar ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het besluit van het CBR om het bezwaar ongegrond te verklaren wordt vernietigd, maar de ongeldigverklaring van het rijbewijs blijft in stand.