ECLI:NL:RVS:2011:BP8391
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- C.H.M. van Altena
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid inbewaringstelling vreemdeling na tweede asielaanvraag
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de inbewaringstelling van een vreemdeling onvoldoende gemotiveerd achtte. De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld na een eerdere afgewezen asielaanvraag, waarna hij een tweede asielaanvraag indiende. De rechtbank had geoordeeld dat bij de belangenafweging na deze tweede aanvraag onvoldoende rekening was gehouden met de aard en het tijdstip van deze aanvraag.
De minister stelde dat de vreemdeling na de eerdere afwijzing niet meer als asielzoeker kon worden aangemerkt en dat de belangenafweging daarom niet aan de tweede aanvraag gerelateerd hoefde te zijn. De Raad van State oordeelt echter dat de minister dit standpunt niet kan volgen, omdat de tweede asielaanvraag wel degelijk relevant is voor de belangenafweging.
De Raad van State stelt vast dat de minister in de beroepsprocedure wel degelijk heeft toegelicht waarom het belang van voortzetting van de inbewaringstelling zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling, mede vanwege de tweede asielaanvraag. Hierdoor is de situatie niet vergelijkbaar met eerdere jurisprudentie waarop de rechtbank zich baseerde. De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de inbewaringstelling wordt geacht rechtmatig te zijn.