ECLI:NL:RVS:2011:BP9303

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201101576/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • I.S. Vreken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:11 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:21 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late indiening en intrekking

De vreemdeling had bij besluit van 27 juli 2010 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen gekregen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing op 27 december 2010 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in op 24 januari 2011, maar trok dit hoger beroep op dezelfde dag in. Later gaf de gemachtigde aan dat de intrekking op een misverstand berustte en verzocht om behandeling van het hoger beroep.

De Raad van State oordeelde dat een eenmaal bevoegd gedane intrekking na het verstrijken van de beroepstermijn niet ongedaan kan worden gemaakt, tenzij sprake is van omstandigheden die niet aan de betrokkene zijn toe te rekenen, zoals dwaling, dwang of bedrog. In dit geval was de misvatting aan de vreemdeling zelf toe te rekenen, waardoor de intrekking geldig bleef.

Daarnaast stelde de Raad van State vast dat een nieuw hoger beroep niet tijdig was ingesteld, aangezien de beroepstermijn op 24 januari 2011 was geëindigd. Er waren geen feiten of omstandigheden die het verzuim van de vreemdeling konden rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 18 maart 2011.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en geldige intrekking.

Uitspraak

201101576/1/V2.
Datum uitspraak: 18 maart 2011
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 27 december 2010 in zaak nr. 10/26570 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie en Asiel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 27 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief van 24 januari 2011 hoger beroep ingesteld. Bij brief van dezelfde datum heeft de vreemdeling dat hoger beroep ingetrokken.
Bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 31 januari 2011, heeft de vreemdeling medegedeeld dat de intrekking op een misverstand berust en verzocht zijn hoger beroep alsnog te behandelen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 juli 2005 in zaak nr. 200500165/1; www.raadvanstate.nl), kan een bevoegd gedane intrekking na afloop van de beroepstermijn niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij er sprake is van aan betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden waar hij in een situatie van dwaling verkeerde of blijkt van dwang of bedrog van enige zijde teneinde de betrokkene te bewegen het beroep in te trekken.
2.1.1. In de brief van 31 januari 2011 heeft de gemachtigde van de vreemdeling medegedeeld dat de intrekking van het op 24 januari 2011 ingestelde hoger beroep op een misverstand berust, nu bij het nemen van de beslissing daartoe niet is onderkend dat de informatie die aan die beslissing ten grondslag lag, betrekking had op een andere persoon dan de vreemdeling.
Deze omstandigheid is aan de vreemdeling toe te rekenen en levert derhalve geen situatie van dwaling, als hiervoor bedoeld, op. Hieruit volgt dat de intrekking niet ongedaan kan worden gemaakt.
2.2. Voor zover de brief van 31 januari 2011 moet worden aangemerkt als een nieuw hoger beroep gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 27 december 2010, geldt dat het niet tijdig is ingesteld, nu ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de termijn daarvoor op 24 januari 2011 is geëindigd. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld in verband waarmee redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de vreemdeling in verzuim is geweest.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk niet ontvankelijk.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vreken
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2011
434.
Verzonden: 18 maart 2011
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser