ECLI:NL:RVS:2011:BP9303
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- I.S. Vreken
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late indiening en intrekking
De vreemdeling had bij besluit van 27 juli 2010 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen gekregen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing op 27 december 2010 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in op 24 januari 2011, maar trok dit hoger beroep op dezelfde dag in. Later gaf de gemachtigde aan dat de intrekking op een misverstand berustte en verzocht om behandeling van het hoger beroep.
De Raad van State oordeelde dat een eenmaal bevoegd gedane intrekking na het verstrijken van de beroepstermijn niet ongedaan kan worden gemaakt, tenzij sprake is van omstandigheden die niet aan de betrokkene zijn toe te rekenen, zoals dwaling, dwang of bedrog. In dit geval was de misvatting aan de vreemdeling zelf toe te rekenen, waardoor de intrekking geldig bleef.
Daarnaast stelde de Raad van State vast dat een nieuw hoger beroep niet tijdig was ingesteld, aangezien de beroepstermijn op 24 januari 2011 was geëindigd. Er waren geen feiten of omstandigheden die het verzuim van de vreemdeling konden rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 18 maart 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en geldige intrekking.