ECLI:NL:RVS:2011:BQ0747
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.H.M. van Altena
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling veiligheidssituatie Bagdad onvoldoende voor verblijfsvergunning asiel
De zaak betreft hoger beroep van de minister van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit tot afwijzing van een verblijfsvergunning asiel vernietigde. De vreemdeling stelde dat hij in de provincie Bagdad een reëel risico liep op ernstige schade door het gewapend conflict, gebaseerd op rapporten van UNHCR en de Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH).
De Raad van State overwoog dat artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bescherming biedt bij uitzonderlijke situaties van willekeurig geweld dat een reëel risico op ernstige schade oplevert. Uit het SFH-rapport en het ambtsbericht bleek dat de veiligheidssituatie in Bagdad ernstig was, met fluctuaties in geweldsniveau, maar geen substantiële en voortdurende verslechtering die een uitzonderlijke situatie rechtvaardigt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de stukken niet aantonen dat een burger louter door aanwezigheid in Bagdad een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank had onvoldoende gemotiveerd waarom het SFH-rapport niet tot een ander oordeel leidt. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Daarnaast werd geoordeeld dat het categoriale beschermingsbeleid voor Irak is beëindigd en dat de minister dit standpunt redelijk heeft gemotiveerd. Andere beroepsgronden werden niet behandeld omdat deze niet in hoger beroep aan de orde waren gesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond.