ECLI:NL:RVS:2011:BQ2604
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen uitspraak over rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na staandehouding en strafrechtelijke aanhouding
De zaak betreft het hoger beroep van de minister voor Immigratie en Asiel tegen een uitspraak van de rechtbank die de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring van een vreemdeling op 21 december 2010 heeft beoordeeld. De vreemdeling was op 20 december 2010 staande gehouden op grond van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het niet onmiddellijk kunnen vaststellen van haar identiteit. Vervolgens werd zij opgehouden en later vrijheidsbeneming beëindigd vanwege een strafrechtelijke aanhouding.
De rechtbank had geoordeeld dat de staandehouding onrechtmatig was en de maatregel van bewaring daarom moest worden opgeheven, met toekenning van schadevergoeding. De minister stelde dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil was getreden door de rechtmatigheid van de staandehouding te betrekken bij de beoordeling van de bewaring, omdat tussen de vreemdelingrechtelijke staandehouding en de inbewaringstelling een feitelijke onderbreking had plaatsgevonden door de strafrechtelijke aanhouding.
De Raad van State overweegt dat de strafrechtelijke aanhouding, hoewel van korte duur en zonder toetsing door een strafrechter, niet voor een ander doel is aangewend dan waarvoor zij is verleend. De rechtbank had daarom niet de rechtmatigheid van de staandehouding mogen beoordelen in het kader van de bewaring. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.