Uitspraak
201008906/1op 24 maart 2011, waar [appellant B], bijgestaan door mr. A.M. Engelen, advocaat te Boxmeer, en het college, vertegenwoordigd door drs. C.H. van Marle, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.
200806520/1, mede tot handhaving van de openbaarheid van wegen in de zin van de Wegenwet. Het college is dan slechts tot handhavend optreden jegens rechthebbenden op de weg wegens de door hen aangebrachte belemmeringen van die openbaarheid bevoegd, indien daarmee het stelsel van de Wegenwet en de daarin vervatte waarborgen voor de rechthebbenden niet worden doorkruist. Uit dit stelsel volgt dat rechthebbenden op een weg hierover slechts alle verkeer, behoudens de beperkingen bedoeld in artikel 6 van Pro de Wegenwet, hebben te dulden, wanneer de weg openbaar is in de zin van artikel 4 van Pro die wet. In zoverre komt derhalve betekenis toe aan het toetsingskader van de Wegenwet. Voor zover toepassing van artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV er toe strekt te bewerkstelligen dat de rechthebbende op de weg ook openbaar verkeer toelaat dat buiten de reikwijdte van zijn duldplicht ingevolge de Wegenwet valt, dient die toepassing wegens strijdigheid met de Wegenwet achterwege te blijven.