Art. 8.4 Wet milieubeheerArt. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 46 lid 6 Wet op de Raad van State
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Raad van State beveelt nieuw geluidonderzoek bij revisievergunning scharrelkippenbedrijf
Het college van burgemeester en wethouders van Súdwest Fryslân heeft op 27 juli 2010 een nieuw voorschrift 7.18 verbonden aan een revisievergunning voor een scharrelkippenbedrijf aan het Ferwouderpad 2a te Parrega. Tevens verklaarde het college dat de vergunningvoorschriften 2.1 en 2.2 toereikend zijn voor de aanvoer van kippen twee maal per jaar.
Appellanten uit Parrega hebben tegen dit besluit beroep ingesteld, waarbij zij aanvoeren dat het college ten onrechte geen nieuw geluidonderzoek heeft verricht ter onderbouwing van de toereikendheid van de voorschriften 2.1 en 2.2. De Raad van State stelt vast dat het college het gebrek uit een eerdere uitspraak van 7 juli 2010 niet heeft hersteld, omdat het nieuwe besluit geen nieuw geluidonderzoek bevat. Hierdoor is het besluit onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad van State beveelt het college om binnen vier weken een nieuw geluidonderzoek uit te voeren naar de geluidbelasting bij de aanvoer van kippen twee maal per jaar en op basis daarvan een nieuw besluit te nemen, indien nodig met aangepaste geluidgrenswaarden of een ontheffing. Dit nieuwe besluit moet op de wettelijk voorgeschreven wijze worden bekendgemaakt. Over de proceskosten en griffierechten wordt in de einduitspraak beslist.
Uitkomst: Het college wordt opgedragen binnen vier weken een nieuw geluidonderzoek uit te voeren en zo nodig een nieuw besluit te nemen.
Uitspraak
201008642/1/T1/M2.
Datum uitspraak: 4 mei 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:
[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Parrega, gemeente Súdwest Fryslân,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel, thans: Súdwest Fryslân,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2010 heeft het college een nieuw voorschrift 7.18 verbonden aan de voor een inrichting aan het Ferwouderpad 2a te Parrega bij besluit van 25 augustus 2009 verleende revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer. In het dictum van het besluit van 27 juli 2010 heeft het college verder verklaard dat de voorschriften 2.1 en 2.2 van die vergunning toereikend zijn. Dit besluit is op 29 juli 2010 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 1 oktober 2010.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2011, waar [appellanten], bijgestaan door mr. V.R. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A. Ponsen, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.
2.2. De bij het besluit van 25 augustus 2009 verleende revisievergunning heeft betrekking op de uitbreiding van het scharrelkippenbedrijf aan het Ferwouderpad 2a te Parrega.
Bij uitspraak van 7 juli 2010 in zaak nr. 200907677/1/M2heeft de Afdeling het besluit van 25 augustus 2009 naar aanleiding van een beroep van [appellant] vernietigd, voor zover het betreft het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.18 en voor zover niet is onderzocht of de vergunningvoorschriften 2.1 en 2.2 gelet op de aanvoer twee maal per jaar van kippen toereikend zijn. De Afdeling heeft het college opgedragen om binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het college het besluit van 27 juli 2010 genomen.
2.3. Het beroep van [appellant] richt zich niet tegen het nieuw aan de vergunning verbonden voorschrift 7.18, maar uitsluitend tegen de verklaring in het bestreden besluit dat de vergunningvoorschriften 2.1 en 2.2 gelet op de aanvoer twee maal per jaar van kippen toereikend zijn. [appellant] voert aan - samengevat weergegeven - dat aan die verklaring ten onrechte geen nieuw geluidonderzoek ten grondslag ligt.
2.3.1. Aan de verklaring van het college in het bestreden besluit dat de vergunningvoorschriften 2.1 en 2.2 toereikend zijn ligt slechts ten grondslag - zo is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken - een nadere uiteenzetting van het standpunt dat het college ook heeft ingenomen in de procedure over de in 2009 verleende revisievergunning. Volgens het college volgt uit het geluidrapport van 2007, dat deel uitmaakt van die vergunning, dat aan de gestelde geluidgrenswaarden in de voorschriften 2.1 en 2.2 kan worden voldaan bij de aanvoer twee maal per jaar van kippen. Het college heeft ten behoeve van het bestreden besluit geen nieuw geluidonderzoek verricht. In zoverre heeft het college bij het nemen van het bestreden besluit de uitspraak van 7 juli 2010 niet in acht genomen. Het in die uitspraak geconstateerde gebrek, dat niet is onderzocht of de voorschriften 2.1 en 2.2 gelet op de aanvoer twee maal per jaar van kippen toereikend zijn, is bij het bestreden besluit niet hersteld. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 AlgemenePro wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid.
De beroepsgrond is terecht voorgedragen.
2.4. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. Het college dient daartoe alsnog een nieuw geluidonderzoek uit te voeren naar zowel de langtijdgemiddelde als de maximale geluidbelasting vanwege de aanvoer twee maal per jaar van kippen ter plaatse van de beoordelingspunten 1, 2, 3 en 4 zoals die zijn genoemd in de aan de vergunning van 25 augustus 2009 verbonden voorschriften 2.1 en 2.2.
Wanneer blijkt dat het nieuwe geluidonderzoek tot uitkomsten leidt waarmee aan de geluidgrenswaarden van de vergunningvoorschriften 2.1 en 2.2 kan worden voldaan, kan het college ermee volstaan de Afdeling het rapport van het nieuwe geluidonderzoek toe te sturen.
Mocht uit het nieuwe geluidonderzoek blijken dat niet aan de geluidgrenswaarden van de vergunningvoorschriften 2.1 en 2.2 kan worden voldaan, dan dient het college te beoordelen of voor de aanvoer twee maal per jaar van kippen als incidentele bedrijfssituatie aangepaste geluidgrenswaarden kunnen worden gesteld dan wel kan worden volstaan met een niet genormeerde ontheffing van de geluidgrenswaarden van de vergunningvoorschriften 2.1 en 2.2, en dient het daartoe, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, een nieuw besluit te nemen. Het nieuwe besluit dient vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt.
2.5. In de einduitspraak wordt beslist over de proceskosten en de vergoeding van betaalde griffierechten.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
draagt het college van burgemeester en wethouders van Súdwest Fryslân op om binnen vier weken na de verzending van deze tussenuitspraak:
- een nieuw geluidonderzoek uit te voeren naar zowel de langtijdgemiddelde als de maximale geluidbelasting vanwege de aanvoer twee maal per jaar van kippen ter plaatse van de beoordelingspunten 1, 2, 3 en 4 zoals die zijn genoemd in de aan de vergunning van 25 augustus 2009 verbonden voorschriften 2.1 en 2.2;
- zo nodig een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de derde alinea van overweging 2.4. Het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt;
- de Afdeling de uitkomst mede te delen.
Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.