ECLI:NL:RVS:2011:BQ3809
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ongewenstverklaring vreemdeling na wijziging strafrechtelijke grondslag
De vreemdeling was op grond van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden ongewenst verklaard door de staatssecretaris van Justitie. Deze straf was echter nog niet onherroepelijk, en in hoger beroep werd de straf omgezet in een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hierdoor verviel de grondslag voor de ongewenstverklaring.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, omdat de ongewenstverklaring later was opgeheven. De Raad van State oordeelde echter dat het verkrijgen van een inhoudelijk oordeel over het beroep juist noodzakelijk was om toekomstige nadelige gevolgen van de ongewenstverklaring te voorkomen.
De Raad stelde vast dat de minister op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 gehouden was het verzoek tot intrekking van de ongewenstverklaring in te willigen. Het besluit van 5 februari 2010 werd daarom vernietigd en het eerdere besluit van 25 september 2009 herroepen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige besluitvorming en de noodzaak om de actuele strafrechtelijke situatie mee te wegen bij vreemdelingenrechtelijke besluiten.
Uitkomst: Het besluit tot ongewenstverklaring werd vernietigd en herroepen vanwege het vervallen van de strafrechtelijke grondslag.