ECLI:NL:RVS:2011:BQ5552
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortvarendheid minister bij vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die oordeelde dat de bewaring van een vreemdeling niet gerechtvaardigd was vanwege onvoldoende voortvarendheid bij de overplaatsing naar het asielzoekerscentrum (AC) Schiphol en het indienen van de asielaanvraag.
De vreemdeling had op 13 oktober 2010 aangegeven asiel te willen aanvragen, maar werd pas op 31 oktober 2010 overgebracht naar AC Schiphol en diende daar op 2 november 2010 zijn asielaanvraag in. De rechtbank vond dit te laat en stelde dat de minister niet voldoende voortvarend had gehandeld, mede omdat de vreemdeling tot 25 oktober 2010 strafrechtelijk gedetineerd was geweest.
De Raad van State overweegt dat de inspanningsverplichting van de minister primair gericht is op het voorbereiden van de uitzetting tijdens de strafrechtelijke detentie en dat de bewaring pas begint met de maatregel krachtens artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft voldoende voortvarend gehandeld door de vreemdeling op de negende dag van de bewaring te horen en hem op de achtste dag in de gelegenheid te stellen een asielaanvraag in te dienen.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister heeft dus niet gehandeld in strijd met zijn inspanningsverplichting en de bewaring was gerechtvaardigd.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was gerechtvaardigd en de minister heeft voldoende voortvarend gehandeld.