ECLI:NL:RVS:2011:BQ5560

Raad van State

Datum uitspraak
17 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201101067/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 15 richtlijn 2008/115/EGArt. 3 richtlijn 2008/115/EGArt. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen bewaring vreemdeling zonder rechtmatig verblijf

De vreemdeling werd op 4 januari 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval de opheffing van de bewaring, tevens kende zij schadevergoeding toe.

De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de bewaring had opgeheven. De Afdeling overwoog dat artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 richtlijnconform moet worden uitgelegd: bewaring mag alleen worden opgelegd indien de vreemdeling de voorbereiding van terugkeer of verwijdering ontwijkt of belemmert.

De minister voerde aan dat de vreemdeling zich niet aan haar vertrektermijn had gehouden en niet beschikte over identiteitspapieren, geen vaste woon- of verblijfplaats had, zich niet had aangemeld bij de korpschef en geen middelen van bestaan had. Deze omstandigheden, niet betwist door de vreemdeling, rechtvaardigen de bewaring.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wees de Afdeling het verzoek om schadevergoeding af en zag af van proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt gehandhaafd omdat zij de terugkeerprocedure ontwijkt, het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

201101067/1/V3.
Datum uitspraak: 17 mei 2011
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 14 januari 2011 in zaak nr. 11/423 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 januari 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 14 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De in de grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van 18 april 2011 in zaak nr. 201101328/1/V3 (www.raadvanstate.nl) beantwoord. Rechtsoverweging 2.4.2. van die uitspraak is ook in dit geval van toepassing, zodat de grief slaagt.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 4 januari 2011 beoordelen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.
2.3. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de minister onbevoegd is om een terugkeerbesluit te nemen omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Ook heeft zij aangevoerd dat een terugkeerbesluit moet berusten op gronden genoemd in artikel 15 van Pro richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de richtlijn) en niet louter op illegaal verblijf.
Deze rechtsvragen heeft de Afdeling eerder (uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100307/1/V3; www.raadvanstate.nl) beantwoord. Rechtsoverweging 2.1.5. van die uitspraak is ook in dit geval van toepassing, zodat de beroepsgrond faalt.
2.4. Voorts heeft de vreemdeling betoogd dat de maatregel van bewaring in strijd met het bepaalde in artikel 15 van Pro de richtlijn louter berust op gronden die zien op illegaal verblijf.
2.4.1. Niet in geschil is dat de vreemdeling, die ten tijde van haar inbewaringstelling geen rechtmatig verblijf in Nederland had, onder de werkingssfeer van de richtlijn valt. Voorts is van belang dat de Afdeling in de uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100555/1/V3 (www.raadvanstate.nl), samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, heeft overwogen dat artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 – voor zover nodig – richtlijnconform kan worden uitgelegd in die zin dat, zolang niet aan artikel 3, zevende lid, van de richtlijn is voldaan, een maatregel van bewaring alleen mag worden opgelegd indien de betrokken vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Bij de beoordeling of de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert dient te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met de toelichting die de minister – ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins – ten aanzien van deze omstandigheden heeft gegeven en – in samenhang daarmee – met hetgeen hieromtrent uit het bewaringsdossier van de vreemdeling valt af te leiden.
2.4.2. Ter zitting bij de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de gronden, dat de vreemdeling niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, zich niet heeft gehouden aan haar vertrektermijn, geen vaste woon,- of verblijfplaats heeft, zich niet heeft aangemeld bij de korpschef en geen middelen van bestaan heeft, de maatregel van bewaring kunnen dragen.
2.4.3. De door de vreemdeling niet betwiste omstandigheid dat zij zich niet heeft gehouden aan haar vertrektermijn, geeft in beginsel grond om aan te nemen dat zij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Nu de vreemdeling geen omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding geven van het tegendeel uit te gaan, kan deze bewaringsgrond de maatregel reeds dragen. De beroepsgrond faalt.
2.5. Gelet op het voorgaande, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 4 januari 2011 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 14 januari 2011 in zaak nr. 11/423;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Spoel
voorzitter
w.g. Bakker
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2011
395.
Verzonden: 17 mei 2011
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser