ECLI:NL:RVS:2011:BQ5562
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatregel vreemdelingenbewaring bij ontbreken identiteitspapier en vaste verblijfplaats
De vreemdeling werd in vreemdelingenbewaring gesteld omdat hij niet beschikte over een identiteitsdocument en geen vaste woon- of verblijfplaats had. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden voldoende waren om aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van zijn terugkeer of verwijdering ontwijkt of belemmert.
De vreemdeling stelde dat de maatregel onterecht was omdat het ontbreken van een vaste verblijfplaats op zichzelf onvoldoende is om die conclusie te trekken. De Raad van State bevestigde deze stelling deels: de enkele afwezigheid van een vaste verblijfplaats is onvoldoende zonder een op de vreemdeling toegespitste toelichting.
Echter, in samenhang met het ontbreken van een identiteitsbewijs, waarvan de vreemdeling wisselende verklaringen gaf en geen bewijs van diefstal kon overleggen, vormt dit wel een voldoende grond om de bewaring te rechtvaardigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt bevestigd omdat het ontbreken van een identiteitsdocument en vaste verblijfplaats samen voldoende grond vormen voor de maatregel.