ECLI:NL:RVS:2011:BQ6523

Raad van State

Datum uitspraak
25 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201005932/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • R. van der Spoel
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Besluit nr. 1/80Art. 8:54 AwbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongewenstverklaring vreemdeling en beroep op Associatiebesluit nr. 1/80

De zaak betreft een vreemdeling die bij besluit van 16 april 2003 ongewenst is verklaard en tegen dit besluit bezwaar heeft gemaakt dat is afgewezen. De vreemdeling verzocht vervolgens om opheffing van de ongewenstverklaring, wat werd afgewezen door de staatssecretaris van Justitie. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.

De minister stelde dat de vreemdeling in de procedure tot ongewenstverklaring geen beroep had gedaan op rechten ontleend aan Besluit nr. 1/80 en dat dit betoog daarom niet in het verzoek tot opheffing meegenomen hoefde te worden. De Raad van State oordeelde echter dat het ontbreken van een dergelijk beroep in de oorspronkelijke procedure niet uitsluit dat de vreemdeling dit in het verzoek tot opheffing alsnog kan aanvoeren.

De Raad van State verwees naar artikel 14, eerste lid, van Besluit nr. 1/80, waarin beperkingen op verblijfsrechten zijn toegestaan uit hoofde van openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. De Afdeling stelde vast dat de verwijzing van de minister naar een eerdere uitspraak niet van toepassing is omdat die niet over een verzoek tot opheffing ging.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelde zij de minister tot vergoeding van proceskosten en legde griffierechten op.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de vreemdeling bij een verzoek tot opheffing van een ongewenstverklaring alsnog rechten kan inroepen uit Besluit nr. 1/80 en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.

Uitspraak

201005932/1/V2.
Datum uitspraak: 25 mei 2011
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 7 mei 2010 in zaak nr. 09/12550 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 april 2008, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris van Justitie een verzoek van de vreemdeling tot opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.
Bij besluit van 24 maart 2009, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 7 mei 2010, verzonden op 21 mei 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 juni 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Op 12 september 1963 is een overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije, ondertekend. Deze is namens die Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217).
Op 19 september 1980 heeft de Associatieraad besluit nr. 1/80 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: besluit nr. 1/80) genomen.
Ingevolge artikel 14, eerste lid, van besluit nr. 1/80 worden de bepalingen van deel 1 van hoofdstuk II van besluit nr. 1/80 toegepast onder voorbehoud van beperkingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.
2.2. In zijn grief klaagt de minister, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in zijn besluit van 24 maart 2009 had dienen te beoordelen of de voortduring van de ongewenstverklaring in strijd is met Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije van 19 september 1998 betreffende de ontwikkeling van de Associatie. Daartoe betoogt hij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2010 in zaak nr. 200901814/1/V3 (www.raadvanstate.nl), dat de vreemdeling zijn stelling dat hij aan Besluit nr. 1/80 rechten kan ontlenen in de procedure strekkende tot ongewenstverklaring had moeten aanvoeren. Nu de vreemdeling dat niet gedaan heeft en het besluit tot ongewenstverklaring thans in rechte vaststaat, behoefde een dergelijk betoog niet te worden betrokken bij het verzoek tot opheffing van die ongewenstverklaring, aldus de minister.
2.2.1. Bij besluit van 16 april 2003, voor zover thans van belang, is de vreemdeling ongewenst verklaard. Bij besluit van 3 november 2004 is het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit staat thans in rechte vast.
Bij brief van 6 december 2007 heeft de vreemdeling, voor zover thans van belang, de staatssecretaris van Justitie verzocht de ongewenstverklaring op te heffen.
2.2.2. Anders dan de minister betoogt, betekent de enkele omstandigheid dat de vreemdeling in de procedure tot ongewenstverklaring geen beroep heeft gedaan op verblijfsrechten ontleend aan Besluit nr. 1/80 niet dat hij bij een verzoek tot opheffing van die ongewenstverklaring, daargelaten of dat betoog hem in het voorliggende geval kan baten, niet kan betogen dat de voortduring van zijn ongewenstverklaring strijd oplevert met artikel 14, eerste lid, van Besluit nr. 1/80.
De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2010 in zaak nr. 200901814/1/V3 maakt dat niet anders, reeds omdat die zaak, anders dan in het voorliggende geval, geen betrekking had op een verzoek tot opheffing van een ongewenstverklaring.
De grief faalt.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. De minister, thans de minister voor Immigratie en Asiel, dient op navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van de minister voor Immigratie en Asiel een griffierecht van € 448,00 (vierhonderdachtenveertig euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en
mr. R. van der Spoel en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter w.g. Verbeek
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011
574.
Verzonden: 25 mei 2011
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser