AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen bestemmingsplan De Gravin inzake bevoegdheid tot nadere eisen afgewezen
De raad van de gemeente Oud-Beijerland stelde op 26 oktober 2010 het bestemmingsplan "De Gravin" vast. [Appellante] stelde hiertegen beroep in bij de Raad van State, waarbij zij zich richtte tegen artikel 3, lid 3.3, van de planregels, specifiek de aanhef en onderdeel c, die het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft nadere eisen te stellen.
De Raad van State oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was voor zover het zich richtte tegen niet gewijzigd vastgestelde delen van de planregels, omdat [appellante] geen zienswijze had ingediend en geen gegronde reden gaf waarom dit niet mogelijk was. Voor het overige was het beroep ontvankelijk maar ongegrond.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het artikel betreffende nadere eisen voldoende duidelijk is en niet in strijd met rechtszekerheid of goede ruimtelijke ordening. Het college mag alleen binnen de grenzen van de planregels nadere eisen stellen, gericht op het verminderen van het groepsrisico, bijvoorbeeld vanwege een nabijgelegen LPG-tankstation.
De Raad van State concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is genomen en dat het beroep voor zover ontvankelijk ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep is deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.
Uitspraak
201011596/1/R1.
Datum uitspraak: 8 juni 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend te Oud-Beijerland,
en
de raad van de gemeente Oud-Beijerland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "De Gravin" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2010, beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2011, waar
de raad vertegenwoordigd door mr. C.N.F.J. Mutsaers, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.
[appellante] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.
Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 vanPro de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.
Het beroep van [appellante] richt zich tegen artikel 3, lid 3.3, van de planregels. Uit het vaststellingsbesluit blijkt dat dit artikel gewijzigd is vastgesteld in de zin dat de bewoordingen van de aanhef zijn veranderd en hieraan onderdeel c is toegevoegd. [appellante] heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij redelijkerwijs niet in staat is geweest om een zienswijze in te dienen ten aanzien van het niet gewijzigd vastgestelde deel van de planregel. Het beroep van [appellante] is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep van [appellante] slechts ontvankelijk is voor zover dit zich richt tegen artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder c, van de planregels.
2.1.1. [appellante] woont op perceel [locatie]. In het plan is aan het aangrenzende perceel de bestemming "Gemengd - 1" toegekend.
[appellante] betoogt dat het plan ten onrechte in artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder c, van de planregels voorziet in de mogelijkheid nadere eisen te stellen. [appellante] voert hiertoe aan dat het college van burgemeester en wethouders bij niet nader omschreven omstandigheden met toepassing van dit artikel van de planregels kan afwijken. Volgens [appellante] is dit in strijd met de rechtszekerheid en had dit artikel op grond van een goede ruimtelijke ordening niet in de planregels mogen worden opgenomen.
2.1.2. De raad stelt zich op het standpunt dat artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder c, van de planregels in het algemeen voldoende duidelijk maakt in welke gevallen en onder welke omstandigheden het college van burgemeester en wethouders tot het stellen van nadere eisen kan overgaan. Bovendien mogen volgens de raad nadere eisen die met toepassing van dit artikel door het college van burgemeester en wethouders worden opgelegd niet buiten de grenzen, gesteld door de planregels, van het bestemmingsplan treden. Ten slotte betoogt de raad dat dit artikel noodzakelijk is ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
2.1.3. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kan stellen.
Ingevolge artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder c, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen met betrekking tot de bouw en de situering van de bebouwing ten behoeve van de verantwoording van het groepsrisico.
2.1.4. In de bij het plan behorende toelichting staat dat op circa 70 meter van het plangebied een LPG-tankstation staat. Volgens de toelichting zal hierdoor bij realisatie van het plan het groepsrisico stijgen, hoewel dit onder de oriëntatiewaarde zal blijven. Uit de bij het plan behorende toelichting volgt dat de in artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder c, van de planregels vastgelegde bevoegdheid om nadere eisen te stellen met betrekking tot de bouw en de situering van de bebouwing is opgenomen om het groepsrisico te verminderen.
2.1.5. Anders dan [appellante] betoogt, volgt uit voormeld artikel voldoende duidelijk in welke gevallen het college van burgemeester en wethouders nadere eisen kan stellen, namelijk indien de vermindering van het groepsrisico dit vereist. Voorts volgt uit de systematiek van de planregels dat het college van burgemeester en wethouders met toepassing van de in voormeld artikel vastgelegde bevoegdheid uitsluitend nadere eisen kan stellen met betrekking tot de bouw en de situering van de bebouwing binnen de plandelen met de bestemming "Gemengd - 1". Anders dan [appellante] voorts betoogt, is het niet mogelijk om middels het stellen van nadere eisen van deze planregels af te wijken, nu, zoals volgt uit artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro, het college van burgemeester en wethouders bij het stellen van nadere eisen de planregels in acht dient te nemen. Indien het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder c, van de planregels een nadere eis stelt, houdt dit een beperking in van wat zonder toepassing van die bevoegdheid op grond van de planregels mogelijk zou zijn. Het betoog van [appellante] dat voormeld artikel in strijd is met de rechtszekerheid en op grond van een goede ruimtelijke ordening niet in de planregels had mogen worden opgenomen, kan gelet hierop niet slagen.
2.1.6. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het planonderdeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.
2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen artikel 3, lid 3.3, onder a en b, van de planregels;
II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.