ECLI:NL:RVS:2011:BR2100
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing vreemdelingenbewaring en lichter middel in terugkeerprocedure
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld op 6 februari 2011, na eerdere bewaring en strafrechtelijke aanhouding waarbij hij een alias gebruikte. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde dat de rechtbank ten onrechte terughoudend had getoetst of een lichter middel dan bewaring mogelijk was, mede omdat hij bezig was zijn vertrek vrijwillig te regelen via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).
De Raad van State overwoog dat artikel 15 van Pro richtlijn 2008/115/EG weinig beoordelingsvrijheid toekent aan lidstaten bij het toepassen van minder dwingende maatregelen, maar enige beoordelingsruimte en terughoudendheid van de rechter vereist. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan bewaring doeltreffend konden worden toegepast, mede vanwege het gebruik van een alias door de vreemdeling en diens eerdere gedrag dat de terugkeer bemoeilijkte.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de minister niet met een lichter middel hoefde volstaan. De grief faalde en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring blijft gehandhaafd; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.