ECLI:NL:RVS:2011:BR2114
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring en terugkeerbesluit
De vreemdeling werd op 17 februari 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van het ontbreken van een identiteitspapier, geen vaste woon- of verblijfplaats, het niet aanmelden bij de korpschef en eerdere strafbare feiten. De rechtbank 's-Gravenhage had op 4 maart 2011 de bewaring onrechtmatig verklaard en schadevergoeding toegekend.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de gronden voor de bewaring, waaronder het ontbreken van een identiteitspapier en het niet voldoen aan aanmeldingsverplichtingen, in beginsel rechtvaardigen dat de vreemdeling de terugkeerprocedure ontwijkt of belemmert. Hierdoor kan de maatregel van bewaring worden gedragen.
Verder werd vastgesteld dat het formulier waarin het verblijf van de vreemdeling als onrechtmatig werd aangemerkt en een terugkeerverplichting werd opgelegd, kan worden beschouwd als een terugkeerbesluit in de zin van de Europese richtlijn 2008/115/EG. De Raad van State stelde dat de beoordeling van de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit niet door de bewaringsrechter kan worden gedaan zolang er een aparte rechtsgang openstaat.
Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt gerechtvaardigd geacht.