ECLI:NL:RVS:2011:BR2118
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel voor gezin met minderjarige vreemdelingen in AC Schiphol
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de vrijheidsontnemende maatregel voor een vreemdeling en haar minderjarige kinderen in het Aanmeldcentrum Schiphol (AC Schiphol) onrechtmatig achtte wegens strijd met artikel 5 EVRM Pro.
De Raad van State overweegt dat het verblijf van minderjarige vreemdelingen, ook in gezinsverband, in AC Schiphol, ondanks het penitentiaire karakter en het ontbreken van specifieke faciliteiten, niet per definitie willekeurig of onaanvaardbaar is, mits de duur beperkt blijft tot maximaal veertien dagen en de asielprocedure zorgvuldig wordt behandeld. De minister heeft voldoende rekening gehouden met de kwetsbare positie van minderjarigen en de bijzondere omstandigheden van het verblijf.
De Raad stelt vast dat de vrijheidsontnemende maatregel van 10 tot 21 maart 2011 is uitgevoerd met de nodige voortvarendheid en dat de verblijfssituatie, inclusief de slaapindeling, niet onaanvaardbaar was. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de maatregel onrechtmatig was. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Een schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarbij de vrijheidsontnemende maatregel in AC Schiphol als rechtmatig wordt beoordeeld.