ECLI:NL:RVS:2011:BR3786
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- B. van Wagtendonk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij verblijfsvergunning asiel voor gemeenschapsonderdaan
De vreemdeling, een Roemeense burger en daarmee gemeenschapsonderdaan, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die door de minister op 8 maart 2011 werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling nog rechtmatig verblijf genoot in Nederland op grond van het unierecht, ondanks de afwijzing van zijn asielaanvraag. De Raad overwoog dat het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 voortduurt zolang niet is vastgesteld dat niet meer aan de voorwaarden van het unierecht wordt voldaan.
De afwijzing van de asielaanvraag betekent niet automatisch het einde van het rechtmatig verblijf. De vreemdeling had geen belang bij het beroep en hoger beroep omdat zolang het rechtmatig verblijf voortduurt, hij geen verblijfsvergunning asiel kan verkrijgen. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 27 juli 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.